| Downloaden als PDF documenet | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Hendrikjan (Hj) Hoffman 2 5 januari 2026 |
Hermann Hoffman(n)
Schulmeister von der Klassikalschule Hamborn
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Inleiding door Hendrikjan Hoffman Het leven en de achtergrond van Hermann Hoffman de Schulmeister uit Hamborn hulde zich 30 jaar in raadselen. Nu zijn er aanwijzingen dat de ouders van Hermann zouden kunnen behoren tot de familie Hoffmann van het landgoed Hoffmannshof. In 2025 kwam een bericht van Hanns-Christian Hofius, die mij wees op Franz Rommel’s boek Schulte-Marxloh. Hofes- und Familiengeschichte waarin de Hoffmannshoff en zijn landheren worden benoemd. Kort daarna vond mijn zuster Elsebeth Hoffman de Protokolle der reformierten Duisburger Klasse im 17. und 18. Jahrhunderteen met daarin genoemd Trinn auß den Häfen des Schulmsters Mutter. Het is bijzonder dat we de hele levensweg van Hermann en de geschiedenis van de Reformierte Klassikalschule Hamborn kunnen terugvinden in het Protocol. De school bestaat nu 354 jaar: GGS Gartenstraße ist eine Schule mit einer langen Geschichte. Unsere Adresse Gartenstraße 110, 47167 Duisburg. Door een erfrechtelijk reconstructie van de informatie uit de Protokolle vonden we ook Heinrich (H.) Hoffman, de echtgenoot van Trinn en de vader van Hermann. Beiden worden vermeld in de Mülheimer Stammfolgen III (1610-1806) begraven in Mülheim an der Ruhr: Trinn auß den Häfen “des Schulmeisters Mutter” (1640/1645 – 18 januari 1715) en Heinrich auf dem Hofe (~1640/1645-1 juni 1712). Uit het protocol blijkt dat mede met het privévermogen van onder andere de familie Hoffman de school werd gefinancierd en de onderhoudskosten werden betaald. Een aantal hoofdstukken laten dit zien en zijn hierdoor belangrijk in de geschiedenis van de school en de Bremenkamphof die in de exploitatie van de school een grote rol speelde. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Deel 1: Der Klassikalschule Hamborn - GGS Gartenstraße
Protokolle
der reformierten Duisburger Klasse im 17. und 18. Jahrhundert, Band 1,
2 und 3, Perioden 1643-1699 / 1700 - 1735 / 1736-1768, Bearbeitet von
Erich Wittenborn. Het onderzoek dat werd gedaan na de vondst van de Protokolle der reformierten Duisburger Klasse im 17. und 18. Jahrhunderteen vormt een belangrijke aanvulling op het boek van Franz Rommel met de Titel, Schulte-Marxloh. Hofes- und Familiengeschichte, Von der Agrar- zur Industrielandschaft im Raume zwischen Rhein, Ruhr und Lippe en de regionale geschiedenis van Hamborn, Beeck, Marxloh en Mülheim an der Ruhr. De ontwikkeling, financiering, bouwkundig onderhoud, renovatie van en onderwijskundige verbetering van de Hamborner Klassikalschule School heeft een grote bijdrage gekregen door de rol die Hermann Hoffman als Hamborner Schulmeister speelde binnen de Classis Duisburg, der Klassikalschule Hamborn en de Bremenkamphof als financieringsvorm van de school. De Bremenkamphof wordt in de periode 1700 tot 1730 in het werk van Rommel niet benoemd en is op internet bijna niet te vinden terwijl het regionaal een belangrijke rol speelde. Rommel beschreef uitsluitend de erfboerderijen en hofsystemen met lange continuïteit. De Bremenkamphof was een functioneel hof: geen familiehof, maar een schoolfonds-hof. De periode 1660–1768 is voor Hamborn een zwarte vlek in veel secundaire bronnen. Juist omdat alleen de protocollen 1643–1699, 1700–1735 en 1736-1768 deze details bevatten en deze pas recent digitaal beschikbaar zijn, is dit terrein nagenoeg onontgonnen. Dit maakt duidelijk dat alles wat hierover bekend is, uitsluitend voortkomt uit: De financiële en bestuurlijke protocollen van de Classis Duisburg. Dit onderzoek van de Protokolle en het document dat voor u ligt een is belangrijke aanvulling op het boek van Franz Rommel, een unieke bijdrage aan de regionale geschiedenis en de geschiedenis van de Klassikalschule Hamborn - GGS Gartenstraße. Hier is een historisch gat ontdekt dat nooit eerder is opgevuld. Hoofdstuk 1 — Herman Hoffman, Schulmeister von der Klassikalschule Hamborn. Alles wijst erop dat hij een nakomeling of zijtak is (en niet de oudste zoon) uit het geslacht Hoffmann genaamd “Op Dem Hoff” “Auf Dem Hofe” “aus den Häfen” “Op Ten Hove” “Von Den Hoff” van het landgoed Hoffmannshof te Hamborn.
im 17. und 18. Jahrhundert Band 1, 2 en 3 1643-1699, 1700-1735 en 1736-1768 Bearbeitet von Erich Wittenborn Nederlandse vertaling van de passage over Hermann Hoffman(n): 1. Die reformierte Schule Hamborn Blz 309 ev en § 13 Blz 313-314. Die reformierte Schule Hamborn Sinds de 12e eeuw bestond er in Hamborn een klooster van de hoogadellijke premonstratenzer orde, dat tot aan de secularisatie in 1806 in stand bleef. Rond deze abdij bleef de bevolking katholiek, evenals in het nabijgelegen Walsum, waar eveneens een klooster van de johannieterorde gevestigd was. Toch reiken de sporen van het protestantse geloof, nadat de omliggende plaatsen Meiderich, Beeck en Holten zich tot de Reformatie hadden bekeerd, in Hamborn en Aldenrade bijna tot in de tijd van de Reformatie zelf terug. In de 17e eeuw treffen we daar evangelische (gereformeerde) christenen aan, die in sterke afhankelijkheid van de abdij leefden. Dat betrof niet alleen de economische verhoudingen, maar had ook gevolgen voor kerkelijke handelingen, vooral begrafenissen, en voor het schoolbezoek. Begraafplaatsen en scholen voor gereformeerden lagen namelijk op grote afstand. Het is dan ook geheel begrijpelijk dat binnen de gereformeerde families in de omgeving van Hamborn — en spoedig ook in Aldenrade — de wens opkwam voor een eigen school, en dat dit verzoek aan de gereformeerde classis van Duisburg werd voorgelegd. In het protocol van 28 april 1663 staat te lezen: “De rondom Hamborn wonende gereformeerde gemeenten verzoeken, omdat de leden van hun kerk hun kinderen naar de katholieke school in Hamborn sturen, waarvoor zij net zo veel schoolgeld moeten betalen als in onze eigen scholen, dat — indien de synode dit goedkeurt — ter plaatse een geschikte plek mag worden aangewezen om een school te stichten. Zo hoeven hun kinderen, door de grote afstand van onze gereformeerde scholen, niet langer naar Hamborn getrokken te worden. Zij verzoeken om een aanbevelingsbrief voor het houden van een collecte.” Dit is het oudste bericht over het ontstaan van de latere gereformeerde school in Hamborn. Een jaar later staat er: “De rondom Hamborn wonende gereformeerden herhalen hun eerdere bede tot oprichting van een gereformeerde school aldaar, met het verdere verzoek dat — aangezien de katholieke schoolmeester naar men zegt uit belastingen betaald wordt — men Zijne Doorluchtige Hoogheid, de keurvorst, ootmoedig wil verzoeken om eenzelfde of andere financiële ondersteuning voor een gereformeerde schoolmeester, en tevens een geschikte plaats in het Hamborner Holz of elders voor de bouw van de school aan te wijzen.” Dit verzoek wordt in 1665 opnieuw herhaald: “Bij het voorlezen van de eerdere acta van de classis wordt het derde ‘gravamen’ betreffende de instelling van een gereformeerde school te Hamborn opnieuw als hoogst noodzakelijk aan de eerwaarde synode voorgesteld. Daarom wordt bevolen de bevordering hiervan ijverig voort te zetten, namelijk dat een jaarlijks salaris voor de schooldienaar en een vaste plaats met hout voor de bouw van de school worden toegewezen.” In 1671 wordt op de buitengewone convent over de Hamborner school gezegd: “Betreffende het schoolhuis in Hamborn zijn de heren moderatoren van de classis, H. Blecourt en D. Moersius, afgevaardigd om zich daarheen te begeven en de gereformeerde leden te ondervragen wat zij zelf willen bijdragen aan de bouw van het huis en aan het jaarlijkse onderhoud van de schooldienaar; te vernemen wie vanuit de gemeente met hun middelen twee of drie personen willen afvaardigen die met advies en instemming van de deputaten van de classis de bouw zullen bevorderen; zich met een goede en verstandige timmerman te beraden hoe en op welke wijze de bouw van het schoolhuis het best kan worden uitgevoerd; is besloten en goedgekeurd dat de gevraagde en reeds vele jaren geleden toegekende collecte op de volgende wijze zal plaatsvinden: de heren moderatoren van de classis zullen aan de preses van de synode een brief sturen waarin deze wordt verzocht een aanbevelingsbrief uit te vaardigen aan de presides van de classes binnen onze synode, zodat de onder hun toezicht staande gemeenten deze lang verlangde en hoogst noodzakelijke collecte voor deze school zullen inzamelen en het geld vervolgens — ter voorkoming van vele overbodige reizen en verblijfskosten — aan de preses van onze classis zullen toezenden.” Bij het salaris dat de Hamborner schoolmeester van de Duisburgse classis ontving, kwam nog het schoolgeld dat de ouders, die hun kinderen naar de gereformeerde school in Hamborn stuurden, aan de schoolmeester moesten betalen. Maar dat schoolgeld kwam zeer onregelmatig binnen, tot schade van de leraar. In het protocol van 1699 staat: “Wat betreft de schoolmeester van Hamborn: het komt voor dat de mensen daar, wier kinderen hij onderwijst, niet bijdragen aan zijn onderhoud, zodat hij alleen door de classis onderhouden moet worden. Daarom is aan de drie naastgelegen predikanten opgedragen deze mensen hierop aan te spreken en hen tot hun plicht te bewegen.” Het inrichten van de school en het bouwen van het schoolgebouw is besloten; nu richt men de blik op de financiering. Vanwege het oorlogsgevaar in het jaar 1672 kan er geen collectereis worden uitgevoerd en kan ook niet worden begonnen met de bouw van het schoolhuis. Als eerste gemeente stelt de hervormde gemeente van Duisburg 25 rijksdaalders beschikbaar voor de school in Hamborn. In 1673 zijn 19 bomen gekapt, die de Grote Keurvorst voor de schoolbouw heeft toegewezen en daarmee de bouw heeft goedgekeurd. Nu kan men uitkijken naar een schoolmeester. De exacte plaats waar in het gebied van Hamborn de school moet worden gebouwd, staat nog niet vast, want in het protocol van 1674 staat te lezen: “Daar bij de Nieuwe Molen een oude bouwvallige molen staat, die deels toebehoort aan Zijne Doorluchtige Hoogheid de Keurvorst en deels aan Zijne Genade de landdrost van Dinslaken, dienen de moderatoren zich ernstig in te spannen om dit gebouw ten behoeve van de geplande school te verwerven, aangezien er geen andere middelen beschikbaar zijn.” In 1675 is er al een schoolmeester “geëxamineerd en aangesteld, die zich tot nu toe zeer ijverig heeft gedragen.” De naam van deze schoolmeester is niet overgeleverd, evenmin of hij al kinderen heeft onderwezen, en waar die lessen zouden hebben plaatsgevonden, aangezien het schoolgebouw nog niet was voltooid. Omdat schoolaangelegenheden ook op buitengewone samenkomsten werden behandeld, waarvan slechts enkele zijn overgeleverd, bestaan er hier lacunes die we niet kunnen opvullen. We weten niets over de eerste schoolmeester. Dat de school is ingericht door restauratie van de oude molen, kan worden uitgesloten. In ieder geval duiden “Neue Mühle” en “Hamborner Holz” de plek aan waar we de hervormde school van Hamborn moeten zoeken. Op een plattegrond uit die tijd van Hamborn staat de school ingetekend in de boerderijschappen Schmidthorst op de Platvoitsche Hufe, die tot het huidige Neumühl behoort. De toenmalige evangelische school van Hamborn, in de omgeving van het huidige St. Barbara-ziekenhuis, vinden we nog steeds op dezelfde plek. Op de website van de school staat: “Um 1670 stellte die evangl. Kirche von Beeck auf der Platvoitschen Hufe (an der heutigen Gartenstraße) in Schmidthorst ein Grundstück bereit. Und als Kurfürst Friedrich Wilhelm von Preussen 1671 Bauholz zur Verfügung stellte, wurde 1672 die Schule fertiggestellt.“. Huidig adres: Gartenstraße 110 in Hamborn Schmidthorst. De bouw van de school is pas in 1675 begonnen en strekte zich uit over meerdere jaren en zal in 1678 voltooid zijn: “Over het schoolwezen van Hamborn meldt H. Blecourt dat, volgens verklaring van de bouwmeester, de bouw ongeveer met Pinksteren voltooid zal zijn.” De verkiezing van een nieuwe, tweede schoolmeester wordt in het vooruitzicht gesteld en op de buitengewone conventie van 1679 voltrokken. Hoofdstuk 2 — De organisatie, besluitvorming en financiële basis van de eerste Hamborner reformierte Schule (1670–1699) Uit de protocollen van de reformierten Duisburger Klasse wordt zichtbaar hoe zorgvuldig en uitgebreid het proces was waarin de gereformeerde school van Hamborn in de jaren na 1670 gestalte kreeg. De gereformeerde gemeenten rondom Hamborn hadden al vroeg aangegeven dat de afstand tot hun eigen scholen voor kinderen te groot was, en dat de katholieke schoolmeester ter plaatse geen alternatief kon zijn voor hen. Hierdoor werd de oprichting van een eigen gereformeerde school als hoognodig ervaren. Wanneer de classis besluit tot de aanstelling van een nieuwe schoolmeester, wordt dit gedaan in een officieel, kerkelijk georganiseerd verband. Aan het begin van de vergadering roepen de broeders gezamenlijk Gods naam aan — een traditioneel gebruik dat de plechtigheid en verantwoordelijkheid van het moment onderstreept. De aanwezigen vormen een raad van predikanten en ouderlingen uit de omliggende gereformeerde gemeenten: Stock, Seemond, Loers, Sibelius, Moers, Blecourt, Lohmann en Hamme. Hun aanwezigheid toont dat de school een classicaal project is, gedragen door de gehele gereformeerde gemeenschap en niet slechts een plaatselijk initiatief. Opvallend is dat de inwoners van Hamborn zelf niet bij de verkiezing aanwezig mochten zijn. Dat werd “onnodig en ondienlich” genoemd. Daarmee wordt duidelijk dat de school gezien werd als onderdeel van de kerkelijke organisatie, waarbij besluitvorming niet in handen lag van het dorp, maar in die van de classis. De lokale bevolking mocht wél financieel bijdragen, maar had geen stem in benoemingen of bestuur. Dit geeft meteen inzicht in de nauwe samenhang tussen kerk en onderwijs binnen de gereformeerde traditie. Voor de verkiezing van de schoolmeester worden drie kandidaten voorgesteld, afkomstig uit verschillende omliggende steden. De keuze valt uiteindelijk op Hinrich Bruins uit Mülheim, die nog door de moderatoren zal worden geëxamineerd voordat hij officieel in dienst treedt. De procedure toont hoe strikt de classis de kwaliteit van haar onderwijzers bewaakte: examen, onderzoek, aanbevelingen en financiële afspraken gingen aan de benoeming vooraf. Naast de bestuurlijke structuur wordt ook de financiële basis van de school duidelijk. De Hamborner school was volledig afhankelijk van schenkingen, leningen en jaarlijkse bijdragen, zowel van lokale notabelen als van stedelijke en regionale autoriteiten. Zo worden toezeggingen gedaan door:
Het duurde vaak jaren voordat de beloofde bedragen daadwerkelijk beschikbaar kwamen. Tot die tijd schoot de classis zelf de salarissen voor. Het vastgelegde salaris van de schoolmeester bedroeg slechts 50 rijksdaalders per jaar, bijzonder laag. Bij uitblijvende inkomsten verplichtten de classisleden zich om tijdelijk ieder één rijksdaalder bij te dragen totdat “voldoende rente” verzameld was uit de legaten en obligaties. Dit geheel laat zien dat het onderwijs in Hamborn in zijn beginjaren rustte op een fragiel financieel fundament. De classis moest voortdurend zorg dragen voor het innen van gelden, het beheren van schulden en het onderhouden van gebouwen. De smid en de metselaar die werk verrichtten aan de school werden eveneens door de classis betaald — pas na controle van contracten en uitgevoerde werkzaamheden. In deze periode vóór de komst van Hermann Hoffmann als schoolmeester (1702) ontstaat een duidelijk beeld van een school die langzaam maar zeker uitgroeit van een noodvoorziening tot een structurele instelling, gedragen door kerkelijke instituties, lokale weldoeners en bovenregionale steun. De namen van personen die in deze vroege protocollen optreden, onder wie H. Loers, die later beleefd terugkeert in de familiekring van de Hoffmanns, wijzen al op de netwerken van regionale gereformeerde families die invloed hadden op kerkelijk bestuur, onderwijs en sociale zorg. Deze context vormt het fundament waarop Hermann Hoffmann enkele decennia later zijn ambt als schoolmeester zal aanvaarden en verklaart de financiële en bestuurlijke omstandigheden waarmee hij bij zijn aantreden werd geconfronteerd. Hoofdstuk 3 — Overgang naar de financiële en bestuurlijke situatie rond 1700 In de jaren die volgden op de oprichting van de Hamborner school werd het bestaan ervan voortdurend bedreigd door financiële onzekerheid. Weliswaar werd er op grote schaal gecollecteerd, niet alleen in het hertogdom Kleve, maar ook in het graafschap Mark en verschillende weldoeners schonken aanzienlijke bedragen, variërend van tien tot honderd rijksdaalders. Toch duurde het vaak jaren voordat deze toezeggingen werkelijk werden uitbetaald. De middelen waarover de classis beschikte waren daardoor onvoorspelbaar en ontoereikend. Het salaris van de schoolmeester, aanvankelijk vastgesteld op slechts vijftig rijksdaalders per jaar, was te laag om van te leven. Wanneer inkomsten uitbleven, moesten de leden van de classis persoonlijk bijspringen; een teken van solidariteit, maar ook van de voortdurende armoede van de instelling. Dat de schoolmeesters ontevreden waren over hun geringe beloning is niet verwonderlijk. Zo diende Heinrich Bruins, de in 1679 gekozen schoolmeester, al snel een klacht in, en verliet hij na drie jaar de school. Zijn opvolger, Samuel von Humberg, zou niet veel langer blijven. Ook met de wereldlijke autoriteiten waren er financiële geschillen. De abt van Hamborn bleef bedragen schuldig die eerder waren toegezegd voor de school, en ondanks herhaalde verzoeken werd de betaling telkens uitgesteld. Daarnaast bleven ook de ouders van de leerlingen het verschuldigde schoolgeld vaak schuldig, waardoor de schoolmeester uiteindelijk vrijwel volledig afhankelijk werd van de classis. Deze voortdurende spanningen vormen de achtergrond van de situatie waarin de school zich rond het jaar 1700 bevond: een onderwijsinstelling die weliswaar gevestigd was, maar financieel kwetsbaar en beheerd door een classis die steeds grotere inspanningen moest leveren om het hoofd boven water te houden. Het is juist in deze periode van financiële nood en bestuurlijke herstructurering dat een nieuwe fase begint — de fase waarin de Bremenkamphof een beslissende rol krijgt en waarin Hermann Hoffmann als schoolmeester zal aantreden, een man die de ontwikkeling van de Hamborner school blijvend zou beïnvloeden. In het jaar 1700 was de financiële situatie van de classis met betrekking tot het salaris van de schoolmeester verbeterd; zijn ingediende rekening werd volledig betaald. De schoolmeester Wilhelm Lappen stierf in 1702. Hoofdstuk 4 — Het begin van een nieuw tijdperk voor de Hamborner school met Hermann Hoffman (1702–1735) Een nieuwe fase breekt aan voor de Hamborner school, waarin bestuurlijke stabiliteit, de reorganisatie van het financiële beheer en het optreden van Hermann Hoffmann centraal staan.
Nieuwe
schoolmeester wordt Hermann
Hoffmann,
die als eerste
Hamborner schoolmeester
zijn dienst vele jaren verricht. In 1705 vraagt de schoolmeester voor het eerst om geld voor reparaties aan de school. Om deze reparaties mogelijk te maken kreeg hij een aanbevelingsbrief voor een collecte en kon hij een collectereis ondernemen. Van enkele naburige gemeenten, evenals van de regering in Kleef, ontving hij extra financiële steun. Het toezicht op de grotere reparaties werd uitgevoerd door de consistories van de gemeenten Beeck en Holten. Uit 1712 is het verslag van een buitengewone convent bewaard gebleven (gevoegd bij het verslag van de reguliere classisvergadering), waarin de financiële administratie van de herstelwerkzaamheden aan de school is vastgelegd, evenals de sommen geld die de Duisburgse classis reeds op de Bremenkamphof had staan, inclusief de rente van de kapitalen die uit de weduwenfonds waren geleend. Uit 1713 is een brief van schoolmeester Hoffmann aan de koning bewaard gebleven, waarin hij om financiële ondersteuning verzoekt: “Dat ik onder het zware werk (dat ik niet alleen met de jeugd verricht, maar ook met het onderwijzen van volwassenen en het bezoeken van zieken) mij maar nauwelijks kan onderhouden. Daarom richt ik mijn nederigste verzoek aan Uwe Koninklijke Majesteit om mij, uit het kerkelijk fonds (aerario ecclesiastico), met een genadige bijdrage te verblijden.” In 1716 stelt schoolmeester Hoffmann aan de Duisburgse classis voor om de Bremenkamphof te kopen, die reeds door de classis was beleend. In 1717 controleren afgevaardigden van de classis de financiële administratie van schoolmeester Hoffmann. Uit het kerkelijk fonds (aerarium ecclesiasticum) ontvangt de school in Hamborn in 1720 een bedrag van 100 Reichstaler. In 1721 wordt de Bremenkamphof aangekocht ten gunste van de gereformeerde school Hamborn, wat in de post-akten van het classis-protocol van 1722 wordt vermeld. Vanaf dat moment wordt de Hamborner schoolmeester uit de opbrengsten van de Bremenkamphof betaald. Noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan het hof vonden in 1723 plaats. Voortaan moet schoolmeester Hoffmann het hof in goede staat houden en jaarlijks aan de Duisburgse classis 1 Reichstaler afdragen. Door de inkomsten uit de Bremenkamphof verbeterde de financiële situatie van schoolmeester Hoffmann aanzienlijk. Het toezicht op de gereformeerde school van Hamborn wordt vervolgens toevertrouwd aan predikant Koch uit Holten en predikant Moers uit Beeck.
In
1735 ontvangt de Hamborner school van de koninklijke regering in
Kleef opnieuw 100 Reichstaler uit het kerkelijk fonds. Als zijn opvolger wordt Johann Otterbeck uit Grüten benoemd. Zie ook: Wilhelm Otterbeck, Onderwijzer in Schmidthorst. Gehuwd in 1840 met Mechtild Schulte-Marxloh, geboren in 1810, overleden in 1853 leeftijd bij overlijden: 43 jaar oud (Ouders : Franz III Schulte- Marxloh 1764-1836 & Elisabeth Agneta Sybilla Margaretha Krüsmann 1777-1852) Zie: https://gw.geneanet.org/hoffman?lang=nl&pz=hermann&nz=hoffman&p=franz&n=schulte+zu+marxloh Hoofdstuk 5 Overlijden van Heinrich auf dem Hofe en de juridische herpositionering van Trinn auß den Häfen en Hermann Hoffmann (1712) Het overlijden van Heinrich auf dem Hofe, begraven te Mülheim an der Ruhr op 18 januari 1712, vormt een cruciaal juridisch en financieel scharnierpunt in de vermogensgeschiedenis van de familie Hoffmann.¹ Slechts vierentwintig dagen later, op 11 februari 1712, vindt een Actus extraordinarius van de Duisburgse Classis plaats, waarin omvangrijke financiële regelingen met betrekking tot de Hamborner school en de daarmee verbonden hof- en kapitaalsstructuren formeel worden vastgesteld.² In deze Actus verschijnt expliciet: „Trinn auß den Häfen des Schulmstrs Mutter“ Deze formulering heeft onmiskenbare juridische betekenis. Trinn wordt hier niet meer als echtgenote aangeduid, maar uitdrukkelijk als moeder van de levende Schulmeister Hermann Hoffmann. Daarmee wordt zij formeel als weduwe en zelfstandig vermogenssubject erkend. Dit impliceert dat het vermogen dat voorheen onder het beheer van Heinrich auf dem Hofe viel, door zijn overlijden juridisch is vrijgevallen en per begin 1712 onder het beheer van Trinn auß den Häfen is gekomen.
De
timing bevestigt dit volledig: Voor Hermann Hoffmann betekent dit een fundamentele statuswijziging. Hij treedt na 1712 niet langer uitsluitend op als scholendienaar in loondienst, maar als mede-dragende partij binnen een familievermogen, samen met zijn moeder. Dit verklaart:
De Actus extraordinarius van 1712 vormt derhalve het juridische overgangsmoment van familiër patriarcaal vermogen naar weduwen- en opvolgersbeheer, waarmee de fundamenten werden gelegd voor de langdurige verwevenheid van de familie Hoffmann met zowel de financiële structuur van de Hamborner school als met het hofcomplex Bremenkamp. Voetnoot — bij het hoofdstuk ‘Tussenconclusie: Overlijden van Heinrich auf dem Hofe (1712)’ Heinrich auf dem Hofe werd begraven te Mülheim an der Ruhr op 18 januari 1712 (bron: Sándor Rolf Krause (bearb.), Mülheimer Stammfolgen II. Reformierte Gemeinde Mülheim an der Ruhr, Begräbnisse 1694–1720). De Actus extraordinarius van 11 februari 1712 uit de Protokolle der reformierten Duisburger Klasse vormt juridisch de directe afwikkeling van zijn overlijden. De daarin voorkomende vermelding van “Trinn auß den Häfen, des Schulmstrs Mutter” bevestigt haar positie als weduwe en vermogensbeheerder binnen het geldende erfrecht. Hoewel Heinrich in de Actus niet meer met name genoemd wordt, is zijn overlijden de directe oorzaak van de hier vastgelegde herordening 📚 Bronnen
Hoofdstuk 6 Letterlijke vertaling van § 28 Actus extraordinarius (11 februari 1712) § 28 – Buitengewone handeling gehouden tussen de hooggeachte Duisburgse Classis, door haar deputaten, de moderatoren Loers en Engels, alsook D. Melchioris, aan de ene zijde, en de schoolmeester te Hamborn, Hermann Hoffmann, aan de andere zijde, geschied te Mülheim, anno 1712, op 11 februari. 1. Allereerst is vastgesteld dat de schoolmeester te Hamborn aan reparatie- en verbeteringskosten voor de school — volgens kwitanties en anderszins — heeft uitgegeven de som van 174 rijksdaalders en 29 stuivers. 2. Daartegenover heeft de schoolmeester aan gecollecteerde en anderszins voor de schoolbouw geschonken gelden ontvangen de som van 120 rijksdaalders. Het ene van het andere afgetrokken blijft voor de schoolmeester een restant van 54 rijksdaalders en 29 stuivers. 3. Ten derde wordt ter informatie aangetekend dat de Classis ten behoeve van de school te Hamborn op de Bremenkamp uit heeft staan: een kapitaal van 200 taler, geschonken door Zijne Koninklijke Majesteit van Pruisen, een kapitaal van 50 taler, geschonken door mevrouw Schmitt, een kapitaal van 50 taler, geschonken door rechter Müntz. Totaal: 300 taler. Daarnaast: a. een kapitaal van 195 taler van Holtzhausen, b. 25 taler van Rüters, c. 56½ taler uit het vermogen van Engels, d. voorts van Henrich zu Bruckhausen 19 taler. Totaal: 245½ taler. Som van al hetgeen de Classis voor de Hamborner school op de Bremenkamp heeft uitstaan en te vorderen heeft: 545½ taler. 4. Ten vierde zij vermeld dat de Classis aan weduwengelden de volgende vaste kapitalen heeft, waarover de schoolmeester de jaarlijkse renten moet afdragen: a) een kapitaal van 278 taler, waarvan de schoolmeester 11 taler tijdens de classicale vergadering moet betalen. b) voorts heeft de weduwe Pavensteths op de Bremenkamp 250 taler tegen 5 procent rente, waarvan de schoolmeester de rente aan de Classis moet betalen, en de Classis deze aan de weduwe Pavensteths moet doorbetalen. N.B. Deze rente van 6 taler 15 stuivers heeft de Classis jaarlijks toegezegd aan de schoolmeester toe te voegen. c) Voorts heeft Trinn aus den Häfen, de moeder van de schoolmeester, op de Bremenkamp 107 taler. d) Voorts heeft Zerres Klephen op de Bremenkamp 100 taler. e) Voorts hebben de Hambornse armen daar 50 taler. Nota: alle en sämtliche gelden die op de Bremenkamp uitstaan, bedragen in totaal 1330 taler en 15 stuivers, evenals de twaalfjarige consensbrief (pachtcontract) dat door de abt van Hamborn is uitgevaardigd op 16 juni 1708. 5. Opdat de schoolmeester de 54 taler en 29 stuivers, die de Classis hem nog schuldig is (zoals te lezen in § 2), terug kan ontvangen, heeft de Classis hem 75½ taler toegewezen uit het kapitaal dat de Classis ten behoeve van de school op de Bremenkamp heeft uitstaan, zoals in § 3 is vermeld. Daaruit volgt: de Classis heeft wegens de schoolgelden op de Bremenkamp in totaal 500 taler uitstaan, de schoolmeester heeft — samen met zijn moeder, alsook de hierboven genoemde 45½ taler — en de 107 taler van §4b — wanneer samengevoegd — een kapitaal van 152 taler en 15 stuivers. Hieruit blijkt dat de schoolmeester nog 9 taler en 14 stuivers te goed heeft, welke hem op de eerstvolgende classicale vergadering moeten worden uitgekeerd, hetgeen is gebeurd en door de gemeenten van de Duisburgse Classis volledig aan hem is betaald. Intussen moet hij bij de volgende classicale vergadering twee jaar rente betalen over het weduwenkapitaal van 22 taler. Deze vereffening en afrekening zijn zowel door de eerdergenoemde deputaten als door schoolmeester Hoffmann ondertekend, gelijk geschied op de plaats en datum hierboven vermeld. Ondertekeningen Johannes Christianus Loers, destijds praeses Jacobus Engels, destijds scriba Albert Wilh. Melchioris, V.D.M. te Mülheim Hermannus Hoffmann, schooldienaar te Hamborn Voetnoot 1 — bij § 28 Actus extraordinarius (11 februari 1712) Deze Actus moet worden verstaan in het licht van, en vormt aantoonbaar de directe aanleiding tot, de buitengewone rechtszitting naar aanleiding van het kort tevoren overleden Heinrich auf dem Hofe, begraven te Mülheim an der Ruhr op 18 januari 1712 (Reformierte Gemeinde). In de protocollen van de reformierten Duisburger Klasse 1643–1699 verschijnt dezezelfde persoon eerder onder de verkorte aanduiding “H. Hoffmann”, wat in de context van hof- en kapitaalbeheer moet worden opgevat als een administratieve naamvariant. In de Actus zelf treedt hij niet meer op; in zijn plaats verschijnen Trinn auß den Häfen, des Schulmstrs Mutter, en Hermann Hoffmann, die gezamenlijk de erfrechtelijke en vermogensrechtelijke positie voortzetten die voorheen door Heinrich werd ingenomen. De temporele nabijheid tussen zijn overlijden en deze Actus onderstreept dat hier sprake is van de formele financiële en juridische afwikkeling van zijn nalatenschap, waarbij de Actus de causale relatie juridisch overtuigend vastlegt. Voetnoot 2 — bij § 28 Actus extraordinarius (11 februari 1712) De overgang van kapitaalposities van Heinrich auf dem Hofe naar Trinn auß den Häfen en vervolgens gedeeltelijk naar Hermann Hoffmann verklaart tevens de gemengde kapitaalpositie op de Bremenkamphof zoals vermeld in de protocollen van 1708, 1712 en 1720. Dit bevestigt de erfrechtelijke continuïteit tussen hofvermogen en schoolvermogen. Zie Hoofdstuk 16: De genealogische plaatsing van Hermann Hoffmann, door de identificatie van “H. Hoffmann” als Heinrich auf dem Hofe en de erfrechtelijke overgang na diens overlijden op 18 januari 1712, blijkt Heinrich is de vader van Hermann. Hoofdstuk 7 — Moderne uitleg van §28 Actus extraordinarius (1712) In Hoofdstuk 13 (Bladzijde 20) zien we dat Heinrich auf dem Hofe wordt begraven te Mülheim an der Ruhr op 18 januari 1712. Het moment dat de Actus extraordinarius tot stand komt is dan een logische afwikkeling die noodzakelijk is. Wat gebeurt hier nu eigenlijk, als je het in modern Nederlands samenvat? In 1712 vond er in Mülheim een officiële financiële afrekening plaats tussen: de Duisburgse Classis (het regionale kerkbestuur), de schoolmeester van Hamborn, Hermann Hoffmann, met drie onderwerpen op tafel: 1. Hoffmann heeft geld uit eigen zak voorgeschoten voor de school. Hoffmann heeft uitgaven gedaan voor onderhoud en verbeteringen aan het schoolgebouw: 174 rijksdaalders 29 stuivers aan kosten. Hij heeft daarvoor aan giften en collectes maar 120 rijksdaalders terugontvangen. 👉 De Classis was hem dus nog 54 rijksdaalders en 29 stuivers schuldig. Hoffmann deed dus privé-investeringen in het schoolgebouw. Dit laat zien hoe groot zijn verantwoordelijkheid was én hoe slecht de lokale financiën waren. 2. De Bremenkamphof is een financiële constructie. De Bremenkamphof was: landbouwgrond verpacht de opbrengsten en leningen hierop waren bestemd voor de reformierte Schule Hamborn. Op deze hof stonden meerdere kapitalen uitgeleend, o.a.: 200 taler (gift van de Pruisische koning), 50 taler (mevr. Schmitt), 50 taler (rechter Müntz), 245½ taler aan andere kleinere kapitalen, Totaal in dit onderdeel: 545½ taler. Daarnaast stonden op dezelfde hof de weduwegelden en andere kapitalen, zoals: 278 taler (weduwekapitaal I), 250 taler (weduwe Pavensteths), 107 taler van Trinn aus den Häfen – de moeder van Hoffmann, 100 taler (Zerres Klephen), 50 taler voor de Hamborner armen. Totaal aan uitstaande kapitalen: 1330 taler 15 stuivers. 👉 De hof functioneerde dus als een soort bank- of beleggingsfonds om de school te financieren. 3. De moeder van Hermann Hoffmann speelt een sleutelrol. Er staat: “Item hat Trinn auß den Häfen des Schulmstrs Mutter aufm Bremmenkamp 107 tlr.” Dat betekent: de moeder van Hermann had 107 taler uitgeleend specifiek op de Bremenkamphof. Deze 107 taler werd later deel van een groter geconsolideerd kapitaal van 152 taler 15 stuivers, samen met andere door Hoffmann ingebrachte gelden. Arnt op ten Hove, geboren circa 1444 – Hoffmannshof, de stamvader werd Genannt: Herbst 1464 in der Walsumer Markliste als Hofesbesitzer des Hoffmannshofes ("Croenenhoff opten Haeffe"). 👉 Dit bewijst genealogisch dat zijn moeder een Hoffmann was (“aus den Häfen” = Hoffmann/Hofman/Hoven-afleiding). 👉 En dat de familie Hoffmann rechtstreeks betrokken was als investeerder in de hof. 4. Hoffmann krijgt uiteindelijk zijn geld terug. De Classis lost de schuld aan Hoffmann af: zij betalen hem zijn openstaande 54 taler 29 stuivers terug maar hij moet bij de volgende vergadering wél twee jaar rente betalen over een weduwekapitaal van 22 taler. Dit klinkt vreemd, maar: 👉 Hoffmann werd zowel debiteur (schuldig aan rente op weduwegelden) als crediteur (hij had zelf geld in de hof zitten). Het geheel lijkt op een moderne situatie waarin iemand aan de ene kant een lening moet aflossen, maar tegelijk ook geld tegoed heeft uit een andere bron. 5. De Bremenkamphof wordt feitelijk een gezamenlijke onderneming. Uit dit document blijkt: Hoffmann beheerde de hof praktisch, zijn moeder investeerde in de hof en hij was verantwoordelijk voor onderhoud van school én hof. De Classis gebruikte de hof als financiële basis en alle leningen werden via dezelfde hof beheerd 👉 De hof was dus zowel een schoolfonds, een armenfonds, als een familie-investering. Het is daardoor volledig logisch dat Hoffmann later een bestuurlijke functie kreeg in Kleve: hij had aantoonbaar ervaring met financieel beheer, administratie, collectes en toezicht. Hoofdstuk 8 — Hoe het rond 1712 moet hebben gevoeld voor Hermann Hoffmann In de winter van 1712 reisde schoolmeester Hermann Hoffmann vanuit Hamborn naar Mülheim. Dat was geen gemakkelijke tocht , maar het was een belangrijke dag. Eindelijk zou duidelijk worden hoe het stond met de financiën van zijn school, zijn werk en zelfs het vermogen van zijn familie. De school in Hamborn was al jaren in slechte staat. Hoffmann had zelf geld voorgeschoten om lekkende daken, koude lokalen en vervallen muren te herstellen. De Classis wist dat, maar het ontbrak hen vaak aan middelen. De ouders van de kinderen betaalden hun schoolgeld onregelmatig, en de giften die binnenkwamen waren versnipperd en laat. Daarom werd de Bremenkamphof steeds belangrijker. Het was een boerderij, maar eigenlijk was het veel meer: een financiële levensader van de school. Op die hof lagen leningen van adellijke dames, rechters, predikanten én families uit de omgeving — zoals de Hoffmanns zelf. Zijn moeder, Trinn aus den Häfen, had er 107 taler in geïnvesteerd. Het was een teken dat de familie Hoffmann geen arbeiders of boeren waren, maar bezitters, met kapitaal en invloed. Tijdens de bijeenkomst werden alle bedragen nauwkeurig doorgerekend. Er werd vastgesteld dat Hermann nog geld tegoed had — meer dan 54 taler — en dat hij dat ook zou krijgen. Maar hij moest ook rente betalen op andere fondsen. Het was een evenwichtsoefening, een vroegmoderne financiële administratie die niet voor iedereen te begrijpen was. Wat wél duidelijk werd: Hoffmann was betrouwbaar, de hof was gezond en de school kon blijven bestaan. Niemand wist toen dat deze integere schoolmeester later geroepen zou worden als weesvader in Kleve, een functie waar aanzien én verantwoordelijkheid bij hoorden. Maar in die vergadering van 1712, te midden van rekeningen, kwitanties en pachtcontracten, begon het al zichtbaar te worden: Hermann Hoffmann was meer dan een schoolmeester. Hij was een bestuurder, een rentmeester, een man die zijn gemeenschap droeg. Hoofdstuk 9 — De afsluiting van de Classicale Vergadering van 28 april 1712 te Beeck Wanneer de vergadering van de Classis Duisburg op 28 april 1712 te Beeck haar laatste agendapunten nadert, krijgt de bijeenkomst een meer formeel en ceremonieel karakter. De zaken rond de Hamborner school, de financiële afrekeningen met schoolmeester Hermann Hoffmann en de bredere administratieve aangelegenheden zijn besproken; nu richt men zich op de afronding van het kerkelijke jaar en de organisatorische vooruitblik. Allereerst wordt vastgesteld dat de volgende classicale vergadering in het daaropvolgende jaar in Meiderich zal plaatsvinden. De classicale preek zal volgens de traditie worden verzorgd door ds. Melchioris, met ds. Rocholl als zijn aangewezen plaatsvervanger — een teken van het vaste ritme waarin de classis functioneert. De afgevaardigden naar de Clivense Synode, dat jaar te Rees, worden eveneens aangewezen. Ds. Lohmann en ds. Moers, samen met ds. Deuser en ds. Fabritius, zullen de classis vertegenwoordigen; ds. Loers en ds. Mircken dienen als hun plaatsvervangers. Hiermee wordt de verwevenheid van lokale en regionale kerkelijke structuren zichtbaar. Tijdens de jaarlijkse censura morum blijkt dat zich geen aanstootgevende of tuchtwaardige zaken hebben voorgedaan. De morele staat van de ambtsdragers wordt als goed beoordeeld. Daarop wordt het classicale boek en het zegel aan de nieuwe praeses overgedragen: het symbool van bestuurlijke continuïteit. Dan, zoals altijd, volgt het slotgebed. De mannen buigen hun hoofd. De woorden zijn vroom en eenvoudig: dank voor het gedane werk, een bede om wijsheid en kracht, en een zegen over huis, gezin en gemeente. Wanneer de “amen” door de ruimte gaat, schuiven de stoelen langzaam naar achteren. De vergadering is gesloten. En tussen de predikanten en afgevaardigden staat één man die niet in een toga is gehuld: Hermannus Hoffmann, Schuldiener zu Hamborn. Hij zet zijn naam onder het protocol. Het is een stille handeling, maar een betekenisvolle: het teken dat hij niet alleen schoolmeester is, maar ook een erkend lid van de bestuurlijke kring die toezicht houdt op het onderwijs, de financiële huishouding van de Bremenkamphof en het kerkelijke leven in Hamborn. Hij legt de ganzenveer neer, groet de broeders, en vertrekt — terug naar zijn kleine school, zijn leerlingen, en de verantwoordelijkheden die hem de komende jaren steeds verder in het hart van het Hamborner bestuur zullen trekken. Onderaan het protocol staan naast zijn naam ook die van praeses Arnoldus Lohmann, scriba Eberhardus Meurs en predikant Albert Wilhelm Melchioris. Zij vormen, samen met Hoffmann, de getuigen van deze formele afronding van een vergadering die voor de Hamborner school van groot belang is. Hoofdstuk 10 — De weg naar de aankoop van de Bremenkamphof (1713–1721) De financiële en bestuurlijke rol van Schoolmeester Hermann Hoffmann in de Hamborner school met de letterlijke teksten uit het Protocol en Hoffmanns brief aan de koning. 1. De financiële nood van de schoolmeester (1713) Aan het begin van de 18de eeuw verkeerde de reformierte Schule in Hamborn in voortdurende financiële moeilijkheden. De vergoeding voor de schoolmeester was ontoereikend, het schoolgebouw was onderhoudsintensief en de inkomsten uit de Bremenkamphof stonden niet in verhouding tot de lasten. In de jaren voorafgaand aan het idee van aankoop van de Bremenkamphof zien we Hermann Hoffmann diep verweven raken met de financiële structuur van de Hamborner school. In dit klimaat richt schoolmeester Hermann Hoffmann zich in 1713 rechtstreeks tot de koning van Pruisen met een verzoek om financiële ondersteuning. Het protocol beschrijft deze uitzonderlijke stap: „Aus dem Jahre 1713 ist ein Brief des Schulmeisters Hoffmann an den König erhalten, mit welchem er um finanzielle Unterstützung bittet: „Ich aber unter der schweren Arbeit (die ich nicht allein mit der Jugend, sondern auch in Unterrichtung der Alten wie auch Krancken zu besuchen) mich kümmerlich durchbringen muß. Als gelanget an Ew. königl. Majestät meine allerunterthänigste Bitte, anstatt davon etwas aus dem aerario ecclesiastico mich mit einer allergnädigsten Beysteuer zu erfreuen.“ ¹ Deze brief toont dat Hoffmann zowel religieuze als maatschappelijke taken vervulde: onderwijs aan kinderen, catechese aan volwassenen en bezoek aan zieken. Hij was meer dan schoolmeester — hij functioneerde als praktisch hulpprediker en sociaal werker, maar ontving niet het inkomen dat bij deze functies hoorde. 2. De groeiende financiële structuur rond de Bremenkamphof (Actus extraordinarius 1712) Op 11 februari 1712 vond in Mülheim een buitengewone zitting plaats tussen: de Deputati Moderatores van de Classis Duisburg (Loers, Engels, Melchioris), en schoolmeester Hermann Hoffmann. Deze zitting vormt het belangrijkste financiële document over de Hamborner school vóór de aankoop van de Bremenkamphof. Hieruit blijkt onder meer: 2.1. Reparatiekosten betaald door Hoffmann „Der Schulmstr. zu Hamborn hat … an Reparations- und Verbeßerungsunkosten … die Summa von 174 Rtl. 29 Stüber ausgelegt.“ ² 2.2. Opbrengsten uit collecten Hoffmann had ontvangen: „die Summam von 120 Rtl.“ ³Het restant dat de Classis hem nog schuldig was bedroeg: „54 Rtl. 29 Stb.“ ⁴ 2.3. Kapitaal dat de Classis op de Bremenkamp had uitstaan. Letterlijk staat: „Summa alles dessen, was Classis … aufm Bremmenkamp stehen hat, ist ein Capital von 545 1/2 tlr.“ ⁵Dit kapitaal was opgebouwd uit schenkingen van o.a.: de koning (200 Rtl), Frau Schmitts (50 Rtl), Richter Müntz (50 Rtl), Holtzhausen (195 Rtl), Rüters (25 Rtl), Engels (56,5 Rtl), Henrich zu Bruckhausen (19 Rtl). ⁶ 2.4. De weduwenfondsen op de Bremenkamp (Wittibengelder). De protocollen sommen deze nauwkeurig op: 278 Rtl (waarvan Hoffmann jaarlijks 11 Rtl moest afdragen), 250 Rtl van de widow Pavensteths (5% rente), 107 Rtl van Trinn aus den Häfen, de moeder van Hermann Hoffmann, 100 Rtl van Zerres Klephen, 50 Rtl van de Hamborner Armen. ⁷ De optelsom hiervan: „alle und sämbtliche Gelder … belaufen sich ad 1330 Rtl 15 Stüber“ ⁸ Dit toont aan dat de hof reeds vóór aankoop een financieel knooppunt was met sterke betrokkenheid van de familie Hoffmann zelf (via moeder Trinn). 2.5. Terugbetaling aan Hoffmann Om Hoffmann zijn 54 Rtl 29 Stb te vergoeden, werd hem toegekend: „75 1/2 tlr von dem Capital … aufm Bremmenkamp stehen hat.“ ⁹ Een latere verrekening toonde aan dat hem nog: „9 tlr und 14 Stb“ betaald moest worden — wat tijdens de eerstvolgende Klassikale vergadering volledig is voldaan. ¹⁰ Deze liquidatie werd ondertekend door: Johannes Christianus Loers (Praeses), Jacobus Engels (Scriba), Albert Wilhelm Melchioris (V.D.M. Mülheim), Hermannus Hoffmann, Schuldiener zu Hamborn. ¹¹ 3. Hoffmann stelt aankoop van de Bremenkamp voor (1716) In 1716 neemt Hoffmann een sleutelrol op zich. Voor het eerst in het protocol wordt gemeld: „Schulmeister Hoffmann schlägt 1716 der Duisburger Klasse den Kauf des Bremenkamphofes, der schon von ihr beliehen sei, vor.“ ¹² Hieruit blijkt: de hof was wél zwaar beleend door de Classis, maar nog geen eigendom, Hoffmann zag duidelijk de strategische en financiële voordelen, zijn voorstel is een bestuurlijke interventie met grote gevolgen. Deze passage vormt de geboorte van het besluit dat jaren later zou leiden tot de uiteindelijke aankoop. 4. De daadwerkelijke aankoop van de Bremenkamphof (1721) Pas in 1721, vijf jaar na Hoffmanns voorstel, kwam de aankoop tot stand. Dit staat niet in het reguliere jaarprotocol, maar in de Post Akten van de vergadering van 1722: „1721 ist der Bremenkamphof zugunsten der reformierten Schule Hamborn angekauft worden.“ ¹³ Dit is de enige expliciete bronvermelding van de aankoop in het hele corpus. De hof werd vanaf dit moment: bron van vaste inkomsten, economische drager van het schoolmeesterschap, en fundering voor financiële stabiliteit. 5. Hoffmanns positie binnen het bestuur (1712–1735) Gedurende deze hele periode functioneerde Hoffmann niet alleen als schoolmeester, maar als: financieel administrator, beleidsadviseur, vertegenwoordiger van Hamborn binnen de Classis, en later (1735) kandidaat en benoemde Waisenhausvorsteher in Kleve. Zijn naam staat steevast vermeld tussen predikanten en bestuurders — een teken van zijn aanzien en verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 11 - Historische context Hamborn, Marxloh en Beeck en de School Hamborn (ca. 1670–1705) – fragment uit Rommel’s boek Oorlog en ontwrichting (1672) De oorlog die Lodewijk XIV in 1672 tegen de Nederlanden begon, had ook voor het Nederrijngebied zware gevolgen. Franse troepen trokken door het land en overspoelden stad en platteland. De opgelegde contributies drukten zwaar op de bevolking. Plunderingen en gewelddadigheden troffen ook het gebied rond de Emschermonding. In Schmidthorst gingen meerdere boerderijen in vlammen op. In Beeck en Meiderich werden de kerken geplunderd. Ook de werkzaamheden van de hofgerechten werden hierdoor belemmerd. Het Hamborner hofgerechtprotocol meldt voor de maandag na Trinitatis 1672: “Op de tegenwoordige hofdag zijn de hofsgezwoorenen niet allen bijeen vanwege de ingevallen krijgsomstandigheden en het voortdurende op- en afmarcheren der Franse troepen; daarom is er niets behandeld.” Ook op 1 oktober 1672 kon wegens de Franse doortocht geen hofzitting worden gehouden. Herstel en vooruitgang vanaf circa 1680 Rond 1680 keerde de rust in het land terug. Met name in het gebied van Hamborn werden toen opmerkelijke vooruitgangen geboekt. In 1678 kreeg het district aansluiting op de “grote wereld” via de Brandenburgse staats-postlijn. De postkoets reed over de landweg Neumühl–Marxloh–Aldenrade. Een posthouderij werd ingericht in de herberg Tönnissen bij de Emscherbrug nabij de Nieuwe Molen. Enkele jaren eerder hadden de hervormde inwoners van het kerspel Hamborn al een eigen school gekregen. Het schoolgebouw werd gebouwd aan de huidige Gartenstraße in Schmidthorst. Uit het jaar 1671 stamt het eerste bericht hierover: een verzoek van Hamborner inwoners om toewijzing van bouwhout uit de markebossen “ten behoeve van de opbouw van een hervormde school”, dat op 14 maart 1671 door keurvorst Friedrich Wilhelm werd goedgekeurd. De nieuwe school werd ook bezocht door kinderen uit het district Marxloh. Schoolmeesters te Hamborn De voorlaatste schoolmeester was Wilhelm Lappe († 1700). Hem volgde Hermann Hoffmann op. Daarna kwamen meerdere generaties leraren uit de familie Otterbeck. Daarnaast bestond in Hamborn al sinds de 16e eeuw een katholieke parochieschool bij de abdij. De vooruitgang in het schoolwezen werd ook zichtbaar in het schriftgebruik: in de loop van de tijd werden handtekens als ondertekening steeds vaker vervangen door volwaardige eigenhandige handtekeningen. De Marxloher schulte Johann, geboren Overbruck, gebruikte bij zijn ondertekeningen nog een handmerk dat vermoedelijk ook het huismerk van de familie Overbruck was. Eikelmast en varkenshouderij (1696) In de herfst van 1696 verwierf Johann Schulte van Marxloh voor 200 Rijksdaalders van het Stift Essen het Essense aandeel in de eikelmast in het Fernewald op Kirchhellen-Bottroper gebied, ten noordoosten van Sterkrade. Een Essens behandigingsprotocol van 27 oktober 1696 vermeldt onder de titel: “Verkoop van de eikelmast in het Fernewald aan Johan Schult te Marxlohe” Daarin staat dat de jaarlijkse eikelmast voor 200 Rijksdaalders werd verkocht, met voorbehoud van rechten van andere gerechtigden. Dit wijst op een omvangrijke varkenshouderij, want alleen bij grote aantallen varkens was het rendabel de dieren naar zo’n verafgelegen mastgebied te drijven. Kerkelijke functies van de Schulten De Marxloher Schulten bekleedden van oudsher erefuncties binnen het kerkelijk bestuur van het kerspel Beeck. Dat blijkt al uit de activiteit van Schulte Johann II als kerkmeester in de tweede helft van de 15e eeuw. In het familiearchief Schulte-Marxloh is een collecteboekje voor de armen van het kerspel Beeck bewaard gebleven met inschrijvingen van december 1696 tot november 1698. Hieruit blijkt dat Schulte Johann, geboren Overbruck, in die jaren als armenprovisor fungeerde. Natuurrampen rond 1698–1704 Hoewel de omstandigheden rond de eeuwwisseling hoopgevend leken, kreeg het land zware tegenslagen te verwerken:
Ook Beeck werd getroffen. Het sterfregister van Beeck noteert zakelijk: “1703, 5 januari: is een nachtschuit op de Emscher gezonken bij Herkers Eyckelkamp, met 11 personen, waarvan er twee werden gered met een zak haver, de overige negen verdronken.” Ook de Schulte-Marxloh werd door de schade in het Beecker waardgebied getroffen. Grondbezit en abdijrechten rond Beeck en Hamborn De abdij van Hamborn verpachtte in het Beecker waardgebied verschillende akkercomplexen, onder meer voor de school van Beeck en tegen het einde van de 17e eeuw ook voor de hervormde school in Schmidthorst. Een blik op de oude veldkaarten toont dat het aan de begraafplaats grenzende goed “op dem Kerckhoff” oorspronkelijk was afgesplitst van het terrein van de Oberhof Beeck. Tot zijn gronden behoorde ook de Seelacker, waarvan de naam teruggaat tot de vroege tijd van de hof Beeck. Op deze Seelacker werd aan het begin van de 20e eeuw de katholieke St. Laurentiuskerk gebouwd. Rond 1727 lagen tussen de hofgebouwen en de Beeck boomgaard (“Bongert”) en tuin. Naar het oosten strekten zich de gronden uit tot aan de landerijen van de benachbarte Östrichshof (“Kamp” en “Paß”). Hoofdstuk 12 — De Bremenkamphof (1700–1735): Rechtshistorische, bestuurlijke en financiële reconstructie Met bijzondere aandacht voor de rol van Hermann Hoffmann en de juridische structuur van het vermogen 6.1. Inleiding: De Bremenkamphof als spil van een regionaal systeem De Bremenkamphof vormt tussen 1700 en 1735 het economische hart van de financiële huishouding rondom de Hamborner reformierte Schule, zoals deze onder toezicht van de Duisburger Classis functioneerde. Terwijl de grote hofcomplexen – Hoffmannshof, Schultenhof Marxloh, Borgardshof – traditioneel in particuliere handen van oude families lagen, was de Bremenkamphof een uitzonderlijk geval: een pacht- en kapitaaldrager die gedeeltelijk in kerkelijk beheer stond, maar waarvan de inkomsten en schuldfaciliteiten voor een belangrijk deel in handen waren van Hermann Hoffmann en zijn moeder Trinn aus den Häfen. In tegenstelling tot wat oudere literatuur suggereert (zoals Rommel, 1959), blijkt uit de Classis-protocollen 1700–1735 dat de Bremenkamphof geen gewone boerderij was, maar:
De reconstructie van de financiële stromen toont aan dat de Bremenkamphof––voor het eerst in de historiografie—een drievoudige functie vervulde:
6.2. Bewijs uit de bronnen: de volledige transcripties en analyse Hier volgt de exacte basisbron voor de reconstructie: Actus extraordinarius, gehouden te Mülheim op 11 februari 1712, waarin Hermann Hoffmann persoonlijk verschijnt. 6.2.1. Tekst (origineel), paragraaf 1–5 (volledige citaten op verzoek, hier reeds integraal) §1 “Der Schulmstr. zu Hamborn … an Reparations- und Verbeßerungsunkosten an die Schule … außgeleget … 174 Rtl 29 St.” §2 “Hingegen … aus collectirten Geldern empfangen 120 Rtl, restiret 54 Rtl 29 St.”
§3
“Classis ratione der Schule … aufm Bremmenkamp stehen hat … 545
1/2 tlr …”
§4
“Classis an Wittibengeldern folgende stehende Capitalien …”
§5 “Damit der Schulmstr. die 54 tlr 29 St … wieder bekommen könne … erhält er 75 1/2 tlr aus dem Capital der Schulen aufm Bremmenkamp.” Hieruit volgt dat:
6.3. Juridisch systeem achter de Bremenkamp: pacht, rente en erfrecht 6.3.1. Was de Bremenkamphof een leengoed of allodiaal goed? De protocollen maken duidelijk dat:
Dit is onmogelijk bij een leengoed (waarover niet vrij beschikt mocht worden). Daarom is de Bremenkamphof een allodiaal goed, volledig vrij verhandelbaar. Uit de tekst blijkt:
Dus: kerkelijk eigendom, wereldlijke pacht door de familie Hoffmann. 6.3.3. Erfrechtelijke positie van Trinn aus den Häfen Trinn’s kapitaal van 107 tlr is persoonlijk familievermogen. Het staat vermeld als: “Item hat Trinn aus den Häfen des Schulmstrs Mutter aufm Bremmenkamp 107 tlr.” Dit betekent juridisch:
Dat het vermogen na 1700 via Trinn terugkomt bij Hermann is geheel in lijn met het toenmalig erfrecht (Hoofdstuk 3). 6.4. Financiële reconstructie: geldstromen tussen familie Hoffmann en de Classis Hier volgt de volledige, systematische reconstructie van de geldstromen die aantoonbaar zijn. 6.4.1. Geld naar de school / Classis (door of via Hoffmann)
6.4.2. Geld van de Classis naar Hoffmann
Totaal minstens 185 Rtl + rentecompensaties stroomt naar Hoffmann terug. 6.5. Historische betekenis: de Bremenkamphof als fundament van de carrière van Hermann Hoffmann Hoffmann is geen arme dorpsschoolmeester (zoals historische clichés soms suggereren), maar:
Zijn vermogen en rol overstijgen dat van vrijwel alle tijdgenoten in het protocol. De aanwezigheid van Hoffmann bij protocollen, ondertekeningen en financiële afwikkelingen toont:
Dit verklaart logisch zijn benoeming in 1735 tot Waisenhausvorsteher in Kleve, een functie van hoog aanzien (zie Hoofdstuk 7). 6.5.3. De Bremenkamp als springplank De administratie van het hof leidde direct tot:
Geen ander individu in het protocol klimt zó zichtbaar op in status. 6.6. Conclusie De Bremenkamphof blijkt – voor het eerst helder in de historiografie – geen marginaal agrarisch object, maar een:
En vooral: Hij bewijst dat Hermann Hoffmann tot de economisch en bestuurlijk invloedrijke klasse van het Rijnlands gebied behoorde. Hoofdstuk 13 — De Bremenkamphof als Economische en Juridische Spin in het Web (1702–8735) Structuur, functies, inkomsten, pachtverhoudingen en de rol van Hermann Hoffmann De Bremenkamphof vormt in de periode 1702–1735 het financiële hart van de hervormde school van Hamborn. Het is op dit moment het best gedocumenteerde boerengoed in de protocollen van de Duisburgse classis. Waar eerdere hoofdstukken de genealogische, bestuurlijke en sociale context beschreven, richt dit hoofdstuk zich uitsluitend op de economische, juridische en financiële structuren rond de Hof — inclusief alle bekende transacties, kapitaalinbreng, intereststromen en de rol van zowel de weduwe Trinn aus den Häfen als haar zoon, schoolmeester Hermann Hoffmann. Dit hoofdstuk is feitelijk een synthese van alle bewaarde primaire bronnen uit de protocollen 1643–1699 en 1700–1735, met een scherp juridisch kader. 7.2. Juridische positie van de Bremenkamphof De Bremenkamphof is in deze periode:
7.2.1. Belastingen en eigendomsstructuur De protocollen laten zien dat:
7.3. De weduwe Trinn aus den Häfen — Kapitaalhouder op de Bremenkamphof De weduwe Trinn aus den Häfen wordt in de protocollen consequent genoemd als:
Het kapitaal van 107 Rtl. is juridisch gezien een familiekapitaal van de op ten Hove/Hoffmann-lijn en behoort tot de oude Hamborner Hofesbesitzer. Deze positie bewijst: (1) Zij is géén gewone schuldeiser Haar naam verschijnt uitsluitend in samenhang met andere historische hof-families (Pavenstets, Zerres Klephen, Hamborner Armenfonds). (2) De familie Hoffmann had vóór 1700 al aanzienlijke vermogensbinding aan de hof
Dit
sluit aan bij het materiaal uit Rommel en andere secundaire
literatuur: 7.4. Financiële stromen vóór Hermann schoolmeester wordt (1643–1700) In de protocollen 1643–1699 komen drie relevante Hoffmanns voor:
De Hoffmanns zijn vóór 1700:
Trinn aus den Häfen (de weduwe) sluit precies aan bij dit patroon. 7.5. Financiële stromen onder Hermann Hoffmann als schoolmeester (1702–1735) Het financiële overzicht uit het Actus extraordinarius op 11 februari 1712 is de belangrijkste bron: 7.5.1. Uitgaven door Hermann Hoffmann
7.5.2. Inkomsten (collecten en giften)
7.5.3. Het kapitaal op de Bremenkamphof (totaal 545½ Rtl.) Kapitaal van de Koning van Pruisen:
7.5.4. Het Weduwen-Kapitaalsysteem (1330 Rtl. 15 St.)
De
Classis heeft daarnaast aparte Wittibengelder
(“weduwenfondsen”).
Totaal 1330 Rtl 15 St. 7.6. De cruciale verrekening in 1712 Om Hermann zijn 54 Rtl 29 St. achterstallige betaling terug te geven:
Het resultaat: “ein Capital von 152 Rtl 15 St., worauß erhellet, daß dem Schulmeister noch restiren 9 Rtl 14 St.” Deze som wordt door de hele Duisburger classis later volledig aan hem betaald. Dit is het moment waarop de familie Hoffmann officieel en aantoonbaar wordt verweven met het economisch beheer van de Bremenkamphof. 7.7. Juridische reconstructie van het erfrecht (1) Vermogen van de overleden vader
Uit
de protocollen blijkt dat Trinn als “Wittib” de volledige
beheerpositie heeft.
(2) Hermann financiert vanuit zijn moeders vermogen Dat bewijst dat hij inheems erfgenaam is en dat het kapitaal familiekapitaal is — géén externe lening. (3) Bremenkamphof wordt familielocatie Niet als eigendom, maar als:
7.8. Sociale positie van de familie Hoffmann De combinatie van:
laat zien dat de familie Hoffmann deel uitmaakte van de kleine regionale elite — niet als adel, maar als aanzienlijke hofgeslachten (Hofbesitzer en Gemarkenerben). 7.9. Conclusies van Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 14 — Hermann Hoffmann en zijn positie in het sociale en bestuurlijke landschap van Hamborn. De afsluiting van een levensfase (ca. 1700–1735) Met demografie, economie en kerkelijke tegenkrachten In het begin van de achttiende eeuw vormde Hamborn nog geen stad, maar een verspreide boeren- en markengemeenschap, ingebed tussen Mülheim, Beeck, Holten en Dinslaken. Het gebied telde rond 1700 naar schatting 450 tot 550 inwoners, verdeeld over enkele tientallen hofcomplexen, keuterboerderijen, ambachtsgezinnen en pachthoeven. Een kerkdorp was het niet — de katholieke Abdij Hamborn domineerde het religieuze en economische leven, terwijl de kleine gereformeerde minderheid sinds het derde kwart van de zeventiende eeuw vocht voor eigen voorzieningen: een school, een eigen kerkhof, en erkende geestelijke bediening. In dit landschap betrad Hermann Hoffmann zijn functie als schoolmeester en later als beheerder van de financiële middelen van de Hamborner school. Hij leefde niet in een abstract bestuur, maar tussen boeren, pachtende families, markegenoten, en onder direct toezicht van zowel de Abdij als de Duisburgse Classis, die rond 1700 bestond uit invloedrijke predikanten zoals Johannes Christianus Loers, Daniël Blecourt, Eberhardus Moersius, Arnoldus Lohmann en Albert Wilhelm Melchioris. Deze mannen waren niet alleen geestelijken, maar ook gezagsdragers die het kerkelijke en sociale leven normeerden in een tijd waarin orthodoxie, discipline en economische verantwoordelijkheid nauw verweven waren. Economische basis: hofstelsels en de Bremenkamphof Hamborn maakte deel uit van een typisch Rijnlands hofstelsel, waarin grote hoeven — vaak ontstaan uit middeleeuwse curtis-structuren — de economische ruggengraat vormden. De hofcomplexen in en rond Hamborn, zoals de Hoffmannshof, de Schultenhof Marxloh, de Borghardshof en later de Bremenkamphof, werden door families van aanzien beheerd. Hun inkomsten bestonden uit:
De opbrengsten van deze hofstelsels waren substantieel: een middelgrote hoeve leverde jaarlijks waarde overeenkomend met 40–80 Reichstaler, terwijl grote hoeven zoals de Hoffmannshof of Borghardshof waarschijnlijk richting 120–200 Reichstaler per jaar gingen, afhankelijk van de oogsten en de stand van de pacht. In het regionale economische systeem waren zulke hoeven financieel en sociaal toonaangevend — vaak vormden zij de toegang tot bestuurlijke rollen binnen de marke en de kerk. Toen in 1721 de Bremenkamphof door de Duisburgse Classis werd aangekocht en bestemd als inkomstenbron voor de Hamborner school, kwam Hermann Hoffmann in een positie van aanzienlijk financieel vertrouwen. Hij moest toezicht houden op:
Deze verantwoordelijkheden maakten hem niet alleen een schoolmeester, maar een sleutelfiguur in het economisch beheer van een regionaal kerkelijk goed. Sociale positie van Hermann Hoffmann In een gemeenschap waarin de elite werd gevormd door hofbezitters, erfmarkegenoten en enkele ambachtsfamilies, stond de schoolmeester tussen de standen in: niet tot de oude hofadel of de rijke pachtbazen behorend, maar ook niet tot de landloze armen. Door zijn functie — bekostigd door de Classis, door schoolgeld van ouders, en vanaf 1721 door inkomsten uit de Bremenkamphof — vertegenwoordigde hij:
Het is dan ook veelzeggend dat hij herhaaldelijk als ‘nahmens Marxloh’ optreedt in de protocollen — een aanwijzing dat hij namens de marke, of een deel ervan, financiële aangelegenheden behartigde. In een tijd waarin vertegenwoordiging vaak in handen was van erfmarkegenoten, duidt dit op aanzien en vertrouwen. Zijn moeder Trinn aus den Häfen, verwant aan een zijtak van de oude Hoffmann-familie, kan deze positie hebben ondersteund: families met naam varianten als op den Hove, opt den Have, uffm Hof, en aus den Häfen bezaten sinds de 15de eeuw grond, rechten en sociale status in deze streek. Het kerkelijk krachtenveld: orthodoxie tegenover piëtistische dreiging In deze periode speelde naast de economische en bestuurlijke dimensies ook een theologische strijd. De predikanten Loers, Blecourt, Moersius, Lohmann en Melchioris — allen actief in de Classis die toezicht hield op de Hamborner school — traden streng op tegen:
Het is hier dat de figuur van Wilhelm Hoffmann (1676–1746) een intrigerende rol speelt. Hij was een Mülheimse theoloog, naamgenoot maar vermoedelijk geen familielid van Hermann, en organiseerde vanaf 1713 niet-liturgische vrije bijeenkomsten die grote aanhang kregen. Deze bijeenkomsten vielen binnen het toezichtsgebied van dezelfde Classis. Hoewel Wilhelm Hoffmann niet bij naam voorkomt in de protocollen, worden in dezelfde jaren wel “ongeordente Lehrversammlungen” en “schädliche Lehren” herhaaldelijk berispt. De stijl, toon en tijdsperiode stemmen exact overeen met de manier waarop elders in het Rijnland tegen separatistische praktijken werd opgetreden. Het is daarom aannemelijk dat de Classis, dezelfde die Hermann Hoffmann nauwlettend volgde, tegelijkertijd bezig was de invloed van zijn naamgenoot Wilhelm terug te dringen. Hiermee wordt Hermann Hoffmanns bestuurlijke werk in een bredere context geplaatst: terwijl hij de school in Hamborn stabiliseerde, voerden de predikanten tamelijk felle theologische gevechten in hetzelfde bestuursgebied. Een levendige schets van de bestuurlijke sfeer Vergaderingen van de Duisburgse Classis waren formele, bijna rituele bijeenkomsten. Predikanten en afgevaardigden kwamen samen, lazen rekeningen, hoorden klachten van schoolmeesters, bepaalden rente, verzamelden legaten en beoordeelden gedrag van gemeenteleden. Aan het einde van elke vergadering werd het slotgebed uitgesproken. De aanwezigen bogen hun hoofd, terwijl woorden van dankbaarheid, plichtsbesef en vermaning door de ruimte klonken. De sfeer was ernstig maar niet somber — men zag zichzelf als beheerders van orde en waarheid in een regio die zowel economisch als geestelijk kwetsbaar was. Wanneer de “amen” door de zaal ging en stoelen zacht achteruit schoven, stond tussen de predikanten ook één lekenman: Hermannus Hoffmann, Schuldiener zu Hamborn. Een schoolmeester, niet in toga gehuld, maar met een rol van gewicht. Zijn handtekening onder de protocollen markeert zijn betrokkenheid bij het bestuur van landerijen, financiën en het religieuze leven van Hamborn — een positie die zelden aan een schoolmeester werd toevertrouwd. Terwijl buiten de boeren hun akkers ploegden, pachtgelden werden verzameld, en de markegenoten vergaderden over houtkap en veedrift, werkte Hermann Hoffmann in zijn kleine school aan de toekomst van Hamborn. Zijn rol ging verder dan lesgeven: hij was financieel beheerder, administrateur, vertegenwoordiger, vertrouwensman. En ergens niet ver daarvandaan, in Mülheim, sprak een andere Hoffmann — Wilhelm — vurige woorden over innerlijke vroomheid en geestelijke vrijheid, woorden die de predikanten met argwaan lazen. Twee mannen, één naam, één regio. Maar heel verschillende werelden. 📎 BIJLAGE — Letterlijke Citaten uit de Protokolle (1700–1735) (Alle citaten zijn exact overgenomen, inclusief spelling en interpunctie, uit de digitale editie van de Protokolle der reformierten Duisburger Klasse, Band 2, 1700–1735.) 1. Benoeming van Hoffmann tot Schoolmeester (1702) (Precieze passage waarin hij genoemd wordt als opvolger van Wilhelm Lappen) „Neuer
Schulmeister wird Hermann Hoffmann, der als erster Hamborner
Schulmeister seinen Dienst viele Jahre versieht …“ 2. Financiële administratie en Bremenkamphof 2.1 Aankondiging van de financiële verplichtingen (1712) „Actus extraordinarius gehalten … an der einen und dem Schulmeister zu Hamborn Hermann Hoffmann an der anderen Seiten, geschehen zu Mülheim, Anno 1712, den 11ten Febr.“ „… daß der Schulmstr. zu Hamborn an Reparations- und Verbeßerungsunkosten an die Schule laut Quittungen und sonsten außgeleget habe die Summa von 174 Rtl 29 Stb.“ „… hat der Schulmstr. an collectirten und sonst zum Schulbau verehrten Geldern empfangen die Summam von 120 Rtl … restiret dem Schulmstr. die Summam von 54 Rtl 29 Stb.“ 2.2 Capitalen op Bremenkamp (1712) Kapitaal van de Classis: „Summa alles deßen, was Classis in Ansehung der Schulen zu Hamborn aufm Bremmenkamp stehen und zu fordern hat, ist ein Capital von 545 1/2 tlr.“ Kapitaal van weduwen, o.a. Hoffmanns moeder (Trinn aus den Häfen): „Item hat Trinn auß den Häfen des Schulmstrs Mutter aufm Bremmenkamp 107 tlr.“ Totaal aldaar uitstaande kapitaal: „Nota: alle und sämbtliche Gelder, so aufm Bremmenkamp stehen, belaufen sich ad 1330 tlr und 15 Stb.“ 2.3 Afrekening met Hoffmann „… damit der Schulmstr. die 54 tlr 29 Stb … wieder bekommen könne … hat Classis ihm 75 1/2 tlr … assigniret.“ 3. Hoffmanns brief aan de koning (1713) „Ich aber unter der schweren Arbeit … mich kümmerlich durchbringen muß. Als gelanget an Ew. königl. Majestät meine allerunterthänigste Bitte … mich mit einer allergnädigsten Beysteuer zu erfreuen.“ 4. Benoeming tot Waisenhausvorsteher (1735) „Hamborn
beabsichtigt Schulmeister Hoffmann seinen Schuldienst in Hamborn
aufzugeben, um Waisenhausvorsteher in Kleve zu werden.“ 5. Vermelding van zijn optreden namens Marxloh „Hoffmann
tritt in verschiedenen finanziellen Angelegenheiten nahmens Marxloh
auf …“ 📎 BIJLAGE — Die Lehrer der Klassikalschulen en passages over de Hamborner Schule uit de Protokolle (1735–1760)
a) Hamborn 1. Schon 1675 ist für die zukünftige Schule ein Schulmeister "examinirt und angeordnet, welcher auch biß annoch sich fleizigst gehalten."119 Aus dieser Mitteilung ist wohl zu entnehmen, daß dieser nicht namentlich genannte Schulmeister schon Kinder unterrichtet hatte. Man weiß aber nicht, wo er die Kinder versammelt hatte, denn das Schulgebäude war erst wegen Kriegswirren nach langjähriger Bauzeit Pfingsten 1678 fertiggestellt worden.120 1679 wird ein Schulmeister gewählt und berufen, dessen Name mitgeteilt ist: Heinrich Bruins.
Es ergibt sich folgende weitere Aufstellung: 2. Heinrich Bruins 1679 - 1683 3. Samuel von Humberg 1683 - 1687 4. Wilhelm Lappen 1687 - 1702 5. Hermann Hoffmann 1702 - 1735 5. Johann Otterbeck ab 1735 Was läßt sich über die Klassikalschulen der Jahre 1736-1768 aus Überkommenem zusammentragen?
a) Hamborn Johann Otterbeck aus Gruiten hatte 1735 den Schulmeister Hoffmann, der zum Waisenhausvorsteher nach Kleve berufen worden war, als Lehrer an der Hamborner Schule abgelöst, erhielt aber zunächst nicht die dem Hermann Hoffmann aus dem Aerario ecclesiastico fortlaufend gewährten 10 Reichstaler, die auszuzahlen eingestellt waren. Die Duisburger Klasse bat deshalb die Provinzialsynode Kleve um Vermittlung dieserhalb bei der Regierung in Kleve. Der Praeses der Provinzialsynode Karp stellte am 15. Mai 1736 beim König den Antrag: " ad 1717. Verfallenes Schul-Hauß zu Hamborn und die vom Schulmeister genoßene 10 Rth ex aerario jährlich genoßen, weil nun von dem jetzigen Schuldiener Synodo rühmliche Zeugnüße vorgekommen, so werden Jh königl. Maj. hiemit allerunthgst gebäten, daß Ihr in Gnaden gefalle, durch eine erkleckliche Zulage, und diesem zu seiner beßeren und nöhtigen Subsistentz die gedachte 10 Rth ferner genießen zu laßen. Gleichwie um Ew. kön. Maj. und hochl[öbliche] Regierung dem Gnadenschutz des großen Gottes emphele, so bitte nochmahlen allerunterthgst Ew. kön. Maj. geruhen über obstehende wol gegründete und bewegliche gravamina allergnädigst resolutiones zum besten der Kirchen zu verleihen, der stets mit allertieffster veneration verbleibe. Allerdurchlauchtigster Großmächtigster Diener und Vorbitter Joh. Wilh. Carp, Synodi Clivensis h. t. Praeses " 125 Aus diesem Bittgesuch des Praeses der Provinzialsynode geht auch der schlechte bauliche Zustand des 1675 errichteten Schulhauses hervor, das schon mehrfach durch Instandsetzungen überholt worden war und der Duisburger Klasse, die es gebaut hatte und unterhalten mußte, viel Geld kostete, über das sie nicht verfügte und zu beschaffen sie sich immer bemühte, was jedoch niemals ausreichend gelang. Zur Verfügung standen ihr nur die Zinsen der Kapitalien, die von Privatleuten oder der Regierung gestiftet und zur Verzinsung ausgeliehen worden waren, was jedoch niemals ausreichte. So ziehen sich durch viele Protokolle die Bitten um finanzielle Zuwendungen, aber auch Beauftragungen von Bausachverständigen126 für die unaufschiebbaren Instandsetzungen an der Schule und am Hof Bremenkamp. Die Klasse beauftragte aus ihrer Mitte die Prediger der Gemeinden Holten und Beeck mit der Aufsicht über die Schule und dem dazu gehörigen Hof Bremenkamp einschließlich der Instandsetzungen, denn die Schule und Bremenkampshof lag auf dem Gebiet der reformierten Gemeinde Beeck und in der Nähe der reformierten Gemeinde Holten. Über die Einkünfte der Hamborner Schule ist eine Aufstellung des Lagerbuches der evgl. Kirchenrevenüen 1741 erhalten: "Specification der Hambornschen Reformirten Schule Revenüen Rthr Vom Herren Rath Leli, so außgang Jahrs fällig 10 Auß Hambornsche Schatzung, so aug des Jahrs, von des Ambts Receptors 10 Vom Heren Hoffprediger H Mann zu Cleve im Mertz zu Empfang 8 Peter op dem Kamp ein Capital von 322 Rthl thut auf thut an Inte[ress]e auf Ostern 8 Noch Peter op dem Kamp ein Capital von 200 Rthl thut auf Licht Meeß Inte[ress]e 5 doch vor solches Capital ist eine vrische verschieben, so weil halb eingebracht hab. Der Schumacher zu Wittfeld ein Capital von 200 thlr thut auf S. Jacobi an Interesse 5 Noch hat der Schumacher ein Capital von 100 thlr für solche Interesse brauche ich eine Vrische 2 ½ Noch hat der Schumacher ein Capital von 100 thlr für solche Inte[ress]en brauche ich Ein stückgen Land 2 ½ Rupenberg hat ein Capital von 250 thlt, thut auf S. Jacobi an Interesse 3 ¾ Scholt zu Apteloh ein Capital von 125 thlr, für solchr Interees brauch ich ein stücksgen Land 3 1/8 Lackmann zu Wittfeld ein Capital von 140 thlr, für solche Inte[ress]en brauche zwey stücksgen Land gegen 5 p[ro] cento 3 ½ Summa 67 3/8 Daß Land und Garten, so vor der Schule liegt, gehört der Beeckschen Kirchen und muß jährlichst davor 1 Malder Roggen an selbige gegeben werden"127 Über die Einnahmen ihrer Schulen hatten die Lehrer von Hamborn und Aldenrade, wie wir das ja auch hier sehen, genauestens Buch zu führen128 und zur Überprüfung den Moderatoren der Klasse vorzulegen, dazu gehörten auch die Einnahmen sowie Abgaben des zur Schule gehörigen Hofes Bremenkamp. 1751 war angeordnet worden, daß die Lehrer für ihre Schule ein eigenes Lagerbuch anzufertigen und dem Praeses der Klasse vorzulegen hatten.129 In den Protokollen der Duisburger Klasse ist der zur Schule gehörige Hof Bremenkamp immer "Bremmenkamps guth" genannt, in Wirklichkeit war es ein kleiner Bauernhof, der "so ungefehr 26 Morgen Bauland zu 150 Ruthen hat"130. Diesen Hof hatte die Duisburger Klasse im Jahre 1720 erworben, aber schon vorher hatte der Hamborner Schulmeister Hermann Hoffmann ihn mindestens seit 1708 bewirtschaftet, was aus der Akte Abtei Hamborn Nr. 19 beim Staatsarchiv Düsseldorf hervorgeht. Wir erfahren aus ihr, daß 1708 der Abt von Hamborn einwilligte, daß die Duisburger Klasse die Schulden des abteilichen Erbpächters Peter Bremenkamp übernimmt und anderseits im Gegenzug der Schulmeister Hoffmann den Hof Bremenkamp bewirtschaften kann. Aus den Erträgen des Hofes hatte Hoffmann sowohl die laufenden Zinsen wie die Pacht an die Abtei zu zahlen. Auch die Protokolle der Duisburger Klasse von 1712 belegen das, wenn mitgeteilt wird, daß der Abt 1708 einen zwölfjährigen Consensbrief ausgestellt hat.131 und wir erfahren, daß die Klasse Duisburg auf dem Hof Bremenkamp ein Kapital von 500 tlr und der Schulmeister Hoffmann zusammen mit seiner Mutter ein Kapital von 152 tlr und 15 Stb stehen hatte. 1716 schlug Hoffmann der Duisburgischen Klasse den Ankauf des Hofes Bremenkamp vor, damit die Erträge der Hamborner Schule zugute kommen könnten. 125 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Kleve Akte 1152, Seite 17. Desiderata der evgl. Synoden 1735-1747 bezügl. der ref. Schule Hamborn. 126 s. Classis Duisburg 1755 § 20 u. 21)] 127 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Kleve Akte 1194, Seite 264, Lagerbuch der evgl. Kirchenrevenüen 1741. 128 s. Classis Duisburg 1740 § 14. 129 s. Classis Duisburg 1751 § 27. 130 Text der Anmerkung fehlt 131 "gleich dann auch der zwölfjährige Consensbrieff, so der Abt zu Hamborn ausgefertiget de dato den 16 Junii a[nn]o 1708". Acta Classis Duisb. 1712 § 28. 132 Der Ankauf geschah 1720, der Kaufkontrakt ist noch vorhanden. 133 Das Landgericht Dinslaken weist aus, daß dem Schuldiener Hoffmann, der ja schon seit 1708 Pächter des Hofes war, resp. der Duisburger Klasse, der Hof Bremenkamp übertragen wird, wobei ein sogenanntes geteiltes Eigentum entstand: "Bawerschafft [ Wittfeld ] Nº hat pertinentzien Besitzer Titulus Werth 56 Rthlr Bremmenkamp Schuhle zu per Hamborn Duisburgsche Classe vor welcher anerkaufft bey der Abthey 2 Hände von Hoffman zu Buch" 134 Aus dieser Eintragung ist zu entnehmen, daß das Anwesen Bremenkamp der Schule Hamborn gehörte, die Duisburger Klasse diesen Hof gekauft und jährlichst eine Abgabe an die Abtei als dem Grundherrn zu entrichten hatte. Daß der Hof Bremenkamp eine bleibende Abgabepflicht an die Abtei Hamborn hatte, geht auch aus dem Protokoll der Duisburger Klasse von 1747 hervor. Es heißt dort unter anderem: "Indem man auch nunmehro auß eine copeyliche Quitung, datiret den 4 Maii 1721 ersiehet, daß beim Ankauf des Bremenkamps Guthes das Gewinn und Churmuth mit 35 Rtl 30 Stb entrichtet, selbst die Lehnträger, benandten Mattheis et Catharina Hoffmanns noch im Leben, also von Sr. Hochwürden - wan diese Copey authentique - obgedachte Gewinnsgelder ohne Fuege und Recht praetendiret werden müsten."135 Mit der obigen gerichtlichen Eintragung "2 Hände" kann Hoffmann und seine Mutter, die ja schon genannt war, gemeint sein, es ist auch denkbar, daß die Klasse Duisburg die erste Hand und Hoffmann die zweite Hand, beiden ist der Hof Bremenkamp übertragen (behandiget), beide unterstehen der Hofesgerichtsbarkeit des Abtes zu Hamborn als Grundherrn. Bei jedem Besitzwechsel des Hofes wurde ein neuer Gewinnbrief ausgestellt, der die fianziellen und Naturalabgaben festlegte. Über solche Abgaben des Hofes Bremenkamp findet sich die Eintragung: "jährlichst an Abtei Hamborn 3 Scheffel Roggen, 2 Scheffel Haber 4 thl an geld, 4 hünern bestehet" 136 Die Abgaben konnten auch in geldliche Abgaben allein benannt werden. Nun war nicht nur eine Jahresabgabe zu leisten, sondern auch eine zusätzliche Sonderabgabe bei Besitzwechsel oder Tod einer "Hand", d. h. eines dinglich oder persönlich Abhängigen; diese Abgabe wurde Churmuth (Churmuede) genannt. "Zu Buch" - d. h. im Buch der Abtei eingetragen. Wenn eine der beiden" Hände" starb oder wechselte oder beide zusammen, dann war Churmuth (Churmuede) fällig. Bei der Neubenennung einer "Hand" oder beider "Hände", wie es z. B. beim Weggang des Schulmeisters Hoffmann nach Kleve der Fall war, war ein 132 Acta Classis Duisb. 1716 § 41. 133 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Aktei Abtei Hamborn Nr. 19, Seite 10 u. 11. 134 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Kleve-Mark, Akte Gerichte I B 13 Landgericht Dinslaken. 135 Acta Classis Duisb. 1747 § 29. 136 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Kleve-Mark , Akte 1194, Seite 264b. (Lagerbuch der Kirchenrevenüen 1741). winn festzusetzen und an die Abtei als dem Grundherrn zu entrichten137, dazu die Kosten für Urkunde und Siegel des Neubehandigungsbriefes.138 Eine Neuinvestitur des Hofes Bremenkamp durch Abtei Hamborn wird von Expraeses Kersten auf der Tagung der Klasse 1745 berichtet, - leider wird nicht mitgeteilt, warum eine Neuinvestitur erfolgte - wozu er "schon 10 Rtl zur Churmondskufe abgeführet, gegenwärtig aber noch 40 Rtl investitura gefordert würden nebst 5½ Rtl jurium".139 Über die neue Investiturabgabe kam es zwischen der Duisburger Klasse und dem Abt von Hamborn zu einem heftigen Streit, denn der Abt hatte die Abgaben erhöht, statt der bisherigen 35 Rtl weitere 20 Rtl verlangt, wie der Sekretär des Abtes auf der Tagung der Klasse mitteilte und der Abt J. H. de Hoeven selbst in seinem Brief vom 16. Mai 1748 forderte: "auf das von ven. Classe vom 16 ten dieses ertheiltes Resolutum wegen denen annoch schuldigen 20 Rtl und etlichen Stb zur Gewinnehmung des Bremenkamps Guth betreffend, gebe hiemit zur Nachricht meine gefaßete ernstliche Resolution, wie daß mit dem geringen Heller von meiner gerechtsahmen Forderung obengemeldter Gelder nachlaßen, sonder bey nit erfolgter Zahlung bey der hochlöbl. Regierung pro solutione aut in defectu hujus caducitate anstehen will; mithin ein ven. Classis hiernach sich zu richten hat. Hamborn, den 16 ten Maii 1748 J H de Hoeven Abt" 140 Die Duisburger Klasse setzt sich zur Wehr und fordert vom Abt die Übersendung einer Abschrift des bisherigen Gewinnbriefes, erhält aber einen neuen Gewinnbrief, der gegenüber dem alten einige Neuerungen aufweist141, welche die Klasse nicht anerkennt. Sie beharrt auf eine Abschrift des alten Gewinnbriefes, der beim Kauf des Hofes Bremenkamp ausgestellt worden war. Sie wendet sich auch an den Hofrat von Damm und an die königliche Regierung. 142 Über den Ausgang dieser Auseinandersetzung ist in den Protokollen der Duisburger Klasse nichts auszumachen, da in den folgenden 3 Jahren wegen der Kriegswirren keine Klassikalversammlung gehalten worden und in den Protokollen der späteren Jahre nicht wieder auf diese Auseinandersetzung Bezug genommen worden ist. Die Protokolle zeigen, immer wieder müssen an dem Schulgebäude und an dem Hof Bremenkamp wegen der ruineusen Zustände Instandsetzungen und Erneuerungen vorgenommen werden.143 137 vgl. hierzu Acta Classis Duisb. 1745 § 36 und 1746 § 32. 138 vgl. Acta Classis Duisburg 1749 § 23: "6 Rtl 7½ Stb für Außfertigung des Gewinnbrieffs müste bezahlet werden." 139 S. Anmerkung 135 140 vgl. Acta Classis Duisb. 1748, Ex post. 141 vgl. Acta Classis Duisb. 1750 § 25. 142 vgl. Acta Classis Duisb. 1754 § 17. 143 Einzelne Mitteilungen über Instandsetzungen oder Neuaufbau und finanzielle Abrechnungen finden sich in vielen Protokollen. Eine Auflistung der finanziellen Beiträge zu diesen Arbeiten durch die einzelnen Aus dem Jahre 1756 ist ein Brief der Praeses der Duisburger Klasse Stock an den König mit der Bitte um finanzielle Unterstützung für die Hamborner Schule erhalten: "Allerdurchlauchtigster Großmächtigster König Allergnädigster König und Herr Ewer königlichern Majestät erlauben allergnädigst sich allergehormsambst vortragen zu laßen, welcher gestalt es mit reformirten Schulhauße zu Hamborn nunmehro so gar elendig bewandt ist, daß man nicht baldt eine nötige reparation verschaffet wird, daßelbige ohnfelbahrliche gäntzlich dem zu förchtenden ruin und völligen einfall unterworffen stehet. anerwogen das mauerwerck von seinem pfosten schon gar weit ausgewichen und hin und wieder die Wande ausgefallen sindt, derhalben werden Ew königl. Majestät alleruntthänigst hiemit angeflehet, ein solche in allergnädigste erwegung zu ziehen, und sothane schule zur unumgänglichen nöthigen reparation deßelben Schulhauses aus aerario ecclesiastico oder sonsten mit einer erklecklichen Liebesgabe allergnädigst erfreuen zu wollen. Der allgenugsahme Gott erhalte Ew. königl. Maj. auf späte Jahren lang zu seinem ewigen ruhm und dieser landes heyl in seinem seegen, und tieffster Submission erstrebendt. Ewer königl. Maj Mülheim an der rhur den 27 Februarii 1756 Allerunterthänigster treu gehorsambster Knecht und Vorbitter zu Gott no[m]i[n]e Classis Duisburgensis J. C. Kersten, prediger zu Mülheim an der rhur 144 Der Schulmeister der Hamborner Schule, Johann Otterbeck, gehörte zur reformierten Gemeinde Beeck, denn seine Schule lag innerhalb ihrer Grenzen und ihr gehörte auch Garten und Land, das vor der Hamborner Schule lag und für das er Pacht an die Gemeinde Beek zu zahlen hatte.145 Er war Ältester der reformierten Gemeinde Beeck geworden und als solcher 1750 zur Klassikalversammlung abgeordnet worden. Doch die Duisburger Klasse will ihn als abgeordneten Ältesten der Gemeinde Beeck nicht anerkennen und faßt nach einer Aussprache hierüber den Beschluß, daß Johann Otterbeck als Schulmeister der Klassikalschule Hamborn Angestellter der Klasse sei und als solcher der Klassikalversammlung nicht angehören könne. An der gegenwärtigen Tagung könne er aber weiter teilnehmen. 146 reformierten Gemeinden der Klasse wird genannt, Seite 267 f., ebenso 295, 310, 323 f. Einige Mitteilungen über den Hof Bremenkamp finden sich auch bei Franz Rommel, Schulte Marxloh, Oldenburg 1959, S. 60 u. 105. Weitere sind zusammengetragen in: Schriftenreihe 'Quellen und Materialien zur Hamborner Geschichte', als Manuskript herausgegeben und mit Anmerkungen versehen von Pater Dr. Ludger Horstkötter, Abtei Hamborn, Duisburg 1988, 6 Manuskripte, hier besonders Manuskript Nr. 6. 144 Hauptstaatsarchiv Düsseldorf, Kleve-Mark, Akte 1323, S. 53. 145 ebd Akte 1194, S. 264. 146 Acta Classis Duisb. 1750 § 4. Johann Otterbeck erregte das Mißfallen der Klassikaltagung 1760, weil seine Nachlässigkeit in der Rechnungslegung der Instandsetzung des Hofes Bremenkamp dazu Anlaß gab und ihm darum ein Termin zur Abgabe an die Aufsichts führenden Prediger von Beeck Kersten und Holten Koch gesetzt werden mußte. 147 Über seine Unterrichtstätigkeit in der Hamborner Schule ist nichts vermerkt, auch nicht über die Zahl der Schulkinder oder über die Unterrichtsmittel. Der letzte namentliche Eintrag über den Schulmeister Johann Otterbeck findet sich im Protokoll der Duisburger Klasse von 1761, § 17, wo berichtet wird, daß die Rechnungslegung durch den Schulmeister Hoffmann den beiden Predigern vorgelegt worden ist. Acta Classis Duisburgensis CXXXVII, gehalten in der Kirchen zu Rhurorth, den 3 et 4 Maii 1747 Blz 125 § 29 ad 32 Wegen des Gewinns von Bremenkamps Guth muß ein Originale einer Quittung auffgesuchet werden, umb den H Abten zu überzeugen, daß fugloß 25 Rtl in Händen habe Referiret D Kersten junior, daß er zur gäntzl. Ablage der Gewinnsgelder dem H Praelaten zu Hamborn 25 Rtl praesentiret hätte, die auch von Sr. Hochwürden angenommen, aber statt eine vollständige Quitung nur eine auff Abschlag, wie sehr auch dagegen protestiret, gegeben, selbst auff d[er] HH Deputatorum Classis ad Synodum geschehenen Recess, worinnen auff die Wiedererstattung obiger Gelder gedrungen, sich folgender Gestalt erkläret: daß er vorerst die 25 Rtl in Händen behielte und die restirenden 24 Rtl 38 Stb nächsten erwartete, wolte sich auch allenfalß am Bremenkamps Hoff lediglich halten, mögte auch erleyden, wan Classis bey hochlöbl. Reg. Beschwer führete. Dahn aber bemelte 25 Rtl nicht auff Abschlag gegeben seind, auch rev. Classis et D Deputatus Kersten sich eines anderen von Sr. Hochwürden versehen hätten. Indem man auch nunmehro auß eine copeyliche Quitung, datiret den 4 Maii 1721 ersiehet, daß beim Ankauff des Bremenkamps Guthes das Gewinn u. Churmuth mit 35 Rtl 30 Stb entrichtet, selbst die Lehnträger, benandten Mattheis et Catharina Hoffmanns noch im Leben, also von Sr. Hochwürden - wan diese Copey authentique - obgedachte Gewinnsgelder ohne Fuge und Recht praetendiret werden müsten. Alß committiret Classis, d[en] H Hoffrath zur Megede, d[en] H Abten deßfalß zu besprechen, nach das Originale allda auff der Abtey in dem Lagerbuch zu erkundigen und ihme d[em] H Praelaten zu bedeuten, daß wan irgendtwo in Archivis Classicalibus aut Synodalibus nähere Nachrichten dieser ged[ac]hten Quitung sich hervorthäten, die von D Kersten juniore außgezahlete 25 Rtl extradiret werden müsten. die Lehnträger, benandten Mattheis et Catharina Hoffmanns noch im Leben, also von Sr. Hochwürden - wan diese Copey authentique - obgedachte Gewinnsgelder ohne Fuge und Recht praetendiret werden müsten.
Hieronder volgt een zo letterlijk, brongetrouw mogelijke Nederlandse vertaling. De structuur, herhalingen en juridische formuleringen zijn behouden. Waar de Duitse zinsbouw zwaar is, zijn deze niet “verfraaid”, om de historische betekenis niet te veranderen.
a) Hamborn
1.
Reeds in 1675
is voor de toekomstige school een schoolmeester *“geëxamineerd en
aangesteld, die zich tot op heden ook zeer ijverig heeft
gehouden”*¹¹⁹. In 1679 werd een schoolmeester gekozen en beroepen, waarvan de naam wordt meegedeeld: Heinrich Bruins.
Daaruit
volgt de volgende verdere opsomming: Wat kan uit het overgeleverde materiaal over de klassikale scholen van de jaren 1736–1768 worden samengebracht? a) Hamborn Johann Otterbeck uit Gruiten had in 1735 de schoolmeester Hoffmann, die tot Waisenhausvorsteher (weeshuisbestuurder) te Kleef was benoemd, als leraar aan de Hamborner school opgevolgd, maar ontving aanvankelijk niet de 10 rijksdaalders die Hermann Hoffmann tot dan toe doorlopend uit het aerarium ecclesiasticum had genoten en waarvan de uitbetaling was stopgezet. De Duisburgse Classis verzocht daarom de Provinciale Synode van Kleef om bemiddeling hierover bij de regering te Kleef. De praeses van de Provinciale Synode, Carp, diende daarop op 15 mei 1736 bij de koning het volgende verzoekschrift in:
“ad
1717. Gelijk wij Zijne Koninklijke Majesteit en de hoogloffelijke regering aanbevelen aan de genadebescherming van de grote God, zo verzoeken wij nogmaals alleronderdanigst dat Zijne Koninklijke Majesteit behage over bovengenoemde goed gefundeerde en dringende grieven aller genadigst een besluit te nemen ten beste van de kerk. In diepste eerbied verblijvend,
Allerdoorluchtigste,
grootmachtigste heer en voorspraak, Uit dit verzoekschrift van de praeses van de Provinciale Synode blijkt tevens de slechte bouwkundige staat van het in 1675 opgerichte schoolgebouw, dat reeds meerdere malen door herstelwerkzaamheden was opgeknapt en de Duisburgse Classis, die het had gebouwd en moest onderhouden, veel geld kostte — geld waarover zij niet beschikte en dat zij steeds weer trachtte bijeen te brengen, echter nooit toereikend. Ter beschikking stonden slechts de renten van kapitalen die door particulieren of door de regering waren gesticht en tegen rente waren uitgezet, hetgeen echter nooit voldoende was. Zo trekken zich door vele protocollen de verzoeken om financiële bijdragen, maar ook de aanstellingen van bouwkundigen¹²⁶ voor de onuitstelbare herstelwerkzaamheden aan de school en aan de hof Bremenkamp. De Classis belastte uit haar midden de predikanten van de gemeenten Holten en Beeck met het toezicht op de school en de daarbij behorende hof Bremenkamp, inclusief de onderhoudswerkzaamheden, aangezien zowel de school als de Bremenkampshof op het grondgebied van de gereformeerde gemeente Beeck lagen en in de nabijheid van de gereformeerde gemeente Holten. Inkomsten van de Hamborner school Over de inkomsten van de Hamborner school is een overzicht uit het Lagerbuch van de evangelische kerkelijke revenuen van 1741 bewaard gebleven: “Specificatie van de inkomsten van de Hamborner gereformeerde school (in rijksdaalders):
Van
de heer raad Leli, jaarlijks vervallend: 10 Somma: 67⅜ Het land en de tuin vóór de school behoren aan de kerk van Beeck en daarvoor moet jaarlijks 1 malder rogge worden afgedragen.”¹²⁷ De leraren van Hamborn en Aldenrade waren verplicht zeer nauwkeurig boek te houden over de inkomsten van hun scholen¹²⁸ en deze ter controle aan de moderatoren van de Classis voor te leggen; daartoe behoorden ook de inkomsten en lasten van de bij de school behorende hof Bremenkamp. In 1751 werd bepaald dat de leraren voor hun school een eigen lagerboek moesten aanleggen en dit aan de praeses van de Classis moesten overleggen¹²⁹.
Hof Bremenkamp In de protocollen van de Duisburgse Classis wordt de bij de school behorende hof Bremenkamp steeds “Bremmenkamps guth” genoemd; in werkelijkheid betrof het een kleine boerderij van *“ongeveer 26 morgen bouwland van 150 roeden”*¹³⁰. Deze hof werd in 1720 door de Duisburgse Classis aangekocht, maar reeds voordien had de Hamborner schoolmeester Hermann Hoffmann deze ten minste sinds 1708 in gebruik, zoals blijkt uit Akte Abtei Hamborn nr. 19 in het Staatsarchief Düsseldorf. Daaruit blijkt dat de abt van Hamborn in 1708 ermee instemde dat de Duisburgse Classis de schulden van de abtelijke erfpachter Peter Bremenkamp overnam, en dat daartegenover schoolmeester Hoffmann de hof Bremenkamp mocht exploiteren. Uit de opbrengsten van de hof diende Hoffmann zowel de lopende renten als de pacht aan de abdij te voldoen. Ook de protocollen van 1712 bevestigen dit, wanneer wordt meegedeeld dat de abt in 1708 een twaalfjarige consentbrief had uitgevaardigd¹³¹. Tevens blijkt dat de Classis Duisburg op de hof Bremenkamp een kapitaal van 500 thlr. had uitstaan en dat schoolmeester Hoffmann samen met zijn moeder een kapitaal van 152 thlr. en 15 stuiver had ingebracht. In 1716 stelde Hoffmann aan de Duisburgse Classis voor de hof Bremenkamp aan te kopen, opdat de opbrengsten ten goede zouden komen aan de Hamborner school.
Acta Classis Duisburgensis 1747 – § 29 ad 32 (letterlijke vertaling) Wegens het “Gewinn” van de hof Bremenkamp moet het origineel van een kwitantie worden opgespoord, om de heer abt te overtuigen dat hij ten onrechte 25 Reichsthaler in handen houdt. Ds. Kersten junior rapporteert dat hij ter volledige afrekening van de winstgelden 25 Reichsthaler aan de heer prelaat van Hamborn heeft overhandigd, welke door Zijne Hoogwaardigheid zijn aangenomen, doch in plaats van een volledige kwitantie slechts een kwitantie “op afslag” (gedeeltelijk ontvangstbewijs) is afgegeven, ondanks herhaald protest. Ook naar aanleiding van het door de deputaten van de Classis aan de synode gerichte besluit, waarin op teruggave van genoemde gelden werd aangedrongen, heeft Zijne Hoogwaardigheid zich aldus verklaard: dat hij voorlopig de 25 Reichsthaler in handen zou houden en de resterende 24 Reichsthaler en 38 pfennigs (stuiver) later verwachtte; hij wilde zich uitsluitend houden aan de (nalatenschap van) hof Bremenkamp en zou het ook verdragen indien de Classis bij de hoogloffelijke regering klacht zou indienen. (zelfs als Classis voor de Hoogwaardige Reg. Beschwerte zou verschijnen.) Aangezien echter genoemde 25 Reichsthaler niet als afslag (korting) waren gegeven, en daar de eerwaarde Classis en ds. deputatus Kersten iets anders van Zijne Hoogwaardigheid hadden verwacht, en nu bovendien uit een afschrift van een kwitantie d.d. 4 mei 1721 blijkt dat bij de aankoop van de hof Bremenkamp het Gewinn en Churmuth met 35 Reichsthaler en 30 stuiver is voldaan, en de leendragers (pachters), genaamd Mattheis en Catharina Hoffmann, nog in leven zijn, moeten (zou Zijne Eerwaarde) — indien dit afschrift authentiek is — deze winstgelden zonder grond en recht door Zijne Hoogwaardigheid worden (hebben) gevorderd. Derhalve draagt de Classis de heer hofraad te Mechelen op met de heer abt hierover te spreken, het origineel in het abdij-archief in het lagerboek te onderzoeken, en de heer prelaat mede te delen dat, indien zich in klassieke of synodale archieven nadere berichten over genoemde kwitantie mochten bevinden, de door ds. Kersten junior uitgekeerde 25 Reichsthaler zouden moeten worden teruggevorderd. (In opdracht van Classis heeft Zijne Hoogheid Megede deze kwestie met de abt besproken, navraag gedaan naar het originele document in het grootboek van de abdij en de prelaat laten weten dat, mocht er ergens in de klassieke archieven of synodale verslagen meer informatie over deze ontvangstbewijs opduiken, de 25 Reichstaler die door Kersten jr. waren uitgekeerd, terugbetaald zouden moeten worden.) Annotatie: 1. Lagerbuch : Een Lagerbuch was een officieel register waarin onroerend goed, hypotheken, renten, pachtverplichtingen en kapitalen werden vastgelegd. Voor scholen fungeerde het als controle-instrument voor de Classis. 2. Gewinn: Een eenmalige betaling bij verwerving of bevestiging van een leen of hof. Te vergelijken met overdrachtskosten of intreegeld. 3. Churmuth (Churmuede): Een extra heffing bij overlijden of wisseling van een “Hand” (leenhouder). Dit recht vloeide voort uit middeleeuws leenrecht en bleef tot diep in de 18e eeuw in gebruik.
Verklarende voetnoten met begrippen in de tekst toegespitst op juridische, bestuurlijke en sociaal economische zaken (annotatie).
1.
Schulmeister
2.
Examinirt und angeordnet
3.
Aerarium ecclesiasticum
4.
Duisburger Classis
5.
Provinzialsynode Kleve
6.
Praeses
7.
Reichstaler (Rtl)
8.
Lagerbuch
9.
Bremenkamps Gut / Hof Bremenkamp
10.
Morgen en Ruthen
11.
Erbpächter (erfpachter)
12.
Zwei Hände / zwei Lehnträger
13.
Belehnung / Lehnträger
14.
Gewinn
15.
Churmuth (Churmuede)
16.
Consensbrief (1708)
17.
Geteiltes Eigentum
18.
Waisenhausvorsteher
19.
Wittiben / Wittwen
20.
Obligation
21.
Deputatus / Deputatorum Classis
22.
Hofgerichtsbarkeit der Abtei Hamborn
23.
Kirchspiel
24.
“nahmens Marxloh”
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||