|
De
tochten van de Willem Barents
naar het
noorden (1878-1884)
door W. F. J. Mörzer Bruyns,
conservator aan het Scheepvaartmuseum te Amsterdam
|
Op
31 mei 1884, juist honderd jaargeleden, vertrok uit
Amsterdam de poolschoener Willem Barents voorde
zevende maal naar het arctisch gebied. Hoewel het vertrek
van de Handelskade feestelijk door een kapel werd uitgeleid
en de burgemeester van Amsterdam tot de gemeentegrens
met het schip meevoer, zou het de laatste tocht van de
schoener onder Nederlandse vlag worden. Na zeven jaar en
evenzoveel reizen was de publieke belangstelling voor
de
poolvaart zo verflauwd dat de organisatoren de tochten
moesten staken. Daarmee kwam een einde aan de
Nederlandse ijszeevaart beweging die in 1875 zo
veelbelovend was begonnen. In dat jaar rustten de Britten
een grootscheepse poolexpeditie uit. De schepen Alert en Discovevy,
onder Sir George Nares, voeren naar Noord-Canada. Het doel was behalve
het bereiken van de Noordpool ook het verzamelen van wetenschappelijke
gegevens. Pogingen vanuit het Nederlands Aardrijkskundig
Genootschap (opgericht in 1873) om op een der schepen
een Nederlandse marineofficier geplaatst te krijgen voor het opdoen van ervaring,
waren mislukt. Dankzij contacten van
het bestuurslid van het Genootschap, de oud-kapitein ter zee
en lid van de Raad van State voor Marinezaken, M.H. Jansen (1817-1893), lukte het tóch om in 1875 een Nederlander naar het
|
|
noorden te laten gaan. De
vermogende Britse poolveteraan, Sir Allen Young,
financierde met de eigenaar van de New York Herald
en Lady Franklin, de aankoop en uitrusting van het
stoomjacht Pandora. Young wilde bij King
Williams-Land zoeken naar dagboeken die daar door
de Franklin expeditie zouden zijn achtergelaten. De
Engelsman Sir John Franklin was in 1845 uit
Engeland vertrokken met twee schepen in een
poging de Noord westelijke doorvaart te vinden.
Deze route, benoorden Canada van de Atlantische
naar de Stille Oceaan, was toen al jaren het doel van
veel poolreizigers. Aanvankelijk hoopte men
daarlangs de vaartijd tussen Europa en Azië
aanmerkelijk te kunnen bekorten. Toen bleek dat dit
door het permanente ijs niet haalbaar was, bleef men
uit nieuwsgierigheid en eerzucht toch doorzoeken.
De schepen van Franklin zijn spoedig door het ijs
vernield en zowel hij als zijn manschappen zijn door
scheurbuik, honger en uitputting om het leven
gekomen. Het zoeken maar eventuele overlevenden
van de expeditie heeftmeer dan tien jaar geduurd.
Pas toen had men, door gevonden berichten en
graven en contacten met Eskimo's, absolute
zekerheid omtrent het lot van de Britten. Young was
bereid om op de Pandora de Nederlandse luitenant ter zee
2e klasse L. R. Koolemans Beijnen (1852-1879) als officier
mee te nemen. Het doel werd niet bereikt maar door
contacten met de expeditie van Nares maakte Young zich
verdienstelijk. De tweede reis met de Pandora, een jaar later,
nu naar Smith Sound, werd óók door Beijnen meegemaakt.
De bedoeling van Jansen en enkele andere leden van het
Aardrijkskundige Genootschap was, om met dein poolvaart
ervaren officier vanuit Nederland een expeditie uit te rusten.
Er bestonden hiervoor verschillende beweegredenen. In de
eerste plaats waren er mensen die zich ergerden dat
Nederland als een der weinige westerse landen niet deelnam
aan de poolvaart, terwijl er een historische traditie op dit
gebied was. Anderen, en dat waren er velen, bleken
gekrenkt in hun nationale trots. Niet alleen was het in 1871
een Noors kapitein (Elling Carlsen) geweest die de resten
van het Behouden Huys van Willem Barentsz. had
teruggevonden, maar Engelse, Noorse en Duitse
poolvaarders kenden, vooral op Spitsbergen, ten onrechte
namen toe aan kapen, eilanden en baaien. Daarbij werd vaak voorbij
gegaan aan de namen die al eeuwen eerder door Nederlanders
waren
toegekend.
|
3
|
|
4
|
Het
was vooral Jhr.
mr. J. K. J. de
Jonge,
adjunct-rijksarchivaris , die
deze gang van
zaken
betreurde. Hij
pleitte ervoor
monumenten te
plaatsen op
belangrijke, ooit
door
Nederlanders ontdekte punten. Zó zou de wereld herinnerd
worden aan het Nederlandse aandeel in de ontdekkingen in
het poolgebied. Weer anderen, waarbij Jansen en de hoofd directeur van
het KNMI dr. C.H.D.
Buys Ballot,
vonden het van belang dat Nederland zou deelnemen aan de
vergaring van wetenschappelijke gegevens. Ook bleken
sommigen van mening dat de door de stoomvaart verwende
jonge zeelieden gehard zouden worden doorenige tijd in het
koude noorden te varen. Tenslotte was er nog het
commerciële argument: de hoop dat er handelsverkeer
tussen Nederlanden Siberië tot stand zou kunnen komen.
Koolemans Beijnen, gesteund door Jansen en De Jonge,
wierp zich op als propagandist van een Nederlandse
poolexpeditie. Hij was vooral een voorstander van het
verzamelen van wetenschappelijke gegevens in het Noorden,
zoals door Buys Ballot omschreven. Beijnen heeft naar het
publiek toe de nadruk gelegd op de gekrenkte nationale
trotsen de gedenkstenen, omdat dit meer aansprak dan de
waarnemingen. Jansen, De Jonge en Beijnen hebben
geprobeerd het bestuur van het Aardrijkskundig
Genootschap tot het organiseren van een expeditie te
bewegen. Ze zijn daarin echter niet geslaagd. De kosten
warenhoog en het bestuur vond gedenkstenen zoveel
inspanning niet waard. De heren hebben zich toen mét een
aantal geestverwanten afgescheiden van het Genootschap en
in maart 1877 het Comité voor de IJszeevaart, ook wel
Hoofd-Comité genaamd, gevormd. Dit was in Den Haag
gevestigd en spoedig werden in andere steden in Nederland z.g.
plaatselijke comités opgericht met het doel geld in te
zamelen voor een poolschip. Spoedig werd duidelijk dat een
dergelijk vaartuig in Nederland niet voorhanden was en
gezien het nationalistische karakter van de beweging was er
geen denken aan een buitenlands schip te charteren.
Hoewel het geld uit alle hoeken van het land
binnenstroomde, zelfs uit Oost-Indië en België, was het
bedrag eind 1877 volstrekt onvoldoende voor de bouw van
een stoomschip. Men had toen f 32.000,- bijeen maar een
geschikt stoomschip kostte ca. f 80.000,-. Omdat er geen
weg
|
|
terug was, besloot men een (veel goedkoper) zeilschip
te laten bouwen. In november 1877 bestelde
het Hoofd-Comité bij de Amsterdamse scheepswerf Meursing &
Huygens een schoener die Willem Barents werd gedoopt en
in april 1878 werd opgeleverd. Het scheepje mat 78 ton,
was 24 meter lang en speciaal voor de

vaart in het ijs
versterkt. Het kreeg over de hele lengte een 1.80 meter
brede dubbelhuid op de waterlijn. Er werden om de
voorsteven zware ijzeren banden gelegd ter bescherming
tegen het ijs en het provisieruim moest voor 18 maanden
voorraden kunnen bevatten. Hoewel overwinteren niet de
bedoeling was, bestond er altijd het risico van onvrijwillige
insluiting door het ijs. Dankzij Jansen kon men de
Koninklijke marine bij de uitrusting van het schip betrekken.
Het Comité kreeg voedsel en uitrustingsstukken, waaronder
kleding, in bruikleen. Alleen het verbruikte deel behoefde na
de reis te worden afgerekend. Ook personeel werd door de Marine
gedetacheerd. De commandant werd de luitenant ter
zee le klasse A. de Bruijne en behalve Koolemans Beijnen
ging diens ranggenoot Jhr. H. M. Speelman mee. Op
voorstel van De Jonge werd een zoöloog aangetrokken voor
het onderzoek naar en verzamelen van flora en fauna in het
arctisch gebied ten behoeve van Artis.Zeedieren werden
met een dreg gevangen. Om het binnenhalen daarvan te
vergemakkelijken werd op het achterdek een donkey-ketel met stoomlier geplaatst.
|
5
|
|
6
|
Voor het
werken met de dreg
werden twee Marker vissers aangemonsterd. Het
Departement van Koloniën stelde een pas afgestudeerde
officier van gezondheid ter beschikking als scheepsarts.
Vanwege hun ervaringen met schoenertuig werden uit
Vlissingen twee loods-kwekelingen aangezocht om mee te
varen; een tonnen legger uit Nieuwediep completeerde de
bemanning. Als laatste bemanningslid, hoewel geen zeeman,
moet worden genoemd de Engelse fotograaf W.J.A. Grant.
Hij had in 1876 samen met Beijnen op de Pandora gevaren en derhalve
ervaring met fotografie in het
poolgebied. De doelstellingen van het Comité waren behalve
het plaatsen van de gedenkstenen, het verzamelen van
wetenschappelijke gegevens en het (fotografisch) vastleggen
van beelden van voor Nederland historisch belangrijke
plaatsen. De gedenkstenen moesten komen op Amsterdameiland bij
Spitsbergen, op de Oranje-eilanden en
twee op Nova Zembla, één bij Kaap Nassau en één bij de
resten van het Behouden Huys in Barentsz. IJshaven. Naast
de door de zoöloog te verzamelen gegevens dienden de
officieren voor het KNMI waarnemingen te doen
betreffende meteorologie. fysische oceanografie
(zoutgehalte en temperatuur van het zeewater op
verschillende diepten)
en aardmagnetisme. Door
bemiddeling van Buys Ballot werden daartoe in het
buitenland instrumenten aangeschaft en de officieren in het
gebruik daarvan onderricht. De tocht van 1878 voerde naar
Jan Mayen, Spitsbergen, Beereneiland en Nova Zembla. De gedenksteen
voor Amsterdam-eiland werd geplaatst, de
andere moesten doorslecht weer en ijs mee naar Nederland
terug. In de loop der latere jaren zijn ze op één na alle
geplaatst. Barentsz. IJshaven is nooit bereikt. Op de eerste
twee reizen van de schoener werden veel gegevens
verzameld en in 1879 werd wereldnieuws gemaakt door als
tweede schip het in 1873 ontdekte Franz Joseph-land te
bereiken. De Bruijne durfde uit vrees door het ijs te worden
ingesloten niet aan land te gaan, maar enkele toen ontdekte
geografische punten kregen Nederlandse namen. In 1880
ging in de plaats van Grant de winterschilder Louis Apol
mee naar het noorden. Hij heeft dat jaar enkele
honderdenschetsen in waterverf en krijtgemaakt .Vanaf
1881 gingen kwaliteit en kwantiteit der wetenschappelijke
waarnemingen achteruit, waardoor Buys Ballot enige
afstand van de tochten nam en de houding tussen hem en
Comité bekoelde. Dat zelfdejaar heeft het Comité de
Vereniging 'Willem Barents' opgericht, waarvan het bestuur door de
leden van het Comité werd gevormd. Hiermee was
aan de ijsvaart beweging een juridische grondslag gegeven.
Een plan van de Oostenrijkse poolvaarder Carl Weyprecht
voor een internationale keten
|
|
van waarnemingsstations
rondom de pool uit 1875 had intussen gestalte gekregen.
Het Internationaal Meteorologisch Comité, waarvan Buys
Ballot deel uitmaakte, had de zaak opgenomen. Elf landen
waaronder Nederland, kwamen overeen om in de winter van
1882-1883 twaalf stations te bezetten. Buys Ballot rekende
erop dat Spitsbergen of Nova Zembla daartoe aan
Nederland zou worden toegewezen. Beide eilanden waren
voor de Willem Barents bereikbaar en de geleerde hoopte
dat de schoener de expeditie zou transporteren. Dit
weigerde het bestuur echter, mede door de bekoelde
verhouding met het KNMI. Omdat de regering laat een
subsidie beschikbaar stelde kon Buys Ballot zich pas op het
nippertje definitief voor de internationale onderneming
aanmelden. De stations op Spitsbergen en Nova Zembla
waren toen al vergeven aan andere landen, zodat Nederland
zich tevreden moest stellen met Dickson Haven, een eiland
aan de monding van de Jennissei rivier in Noord-Siberië.
Buys Ballot werd gedwongen voor het vervoer van de
expeditie een Noors schip, de Varna te charteren. Dit is met
de Nederlanders aan boord in het ijs van de Kara-zee
vastgeraakt en later gezonken. De expeditieleden bereikten
Dickson Haven nimmer maar hebben na overwintering op
het ijs, met sloepen en sleden in 1883 heelhuids de
bewoonde wereld bereikt. De tochten met de Willem
Barents zijn daarna nog een jaar voortgezet, maar veel
spectaculairs heeft zich niet meer voorgedaan. Tijdens de
laatste tocht in 1884 had men voor het eerst het geluk de Karazee te
kunnen binnenvaren, er was echter te veel ijs om Barentsz. IJshaven te
bereiken. De schoener keerde in
oktober voor het laatst in Amsterdam terug met aan boord
een jonge ijsbeer voor Artis. Het schip werd opgelegd aan
de Marinewerf en het bestuur beraadde zich op de toekomst.
Toen bleek dat er bij de marine geen emplooi voor de
Willem Barents was en er bij het Nederlandse publiek door
uitblijven van spectaculaire resultaten geen belangstelling
bestond voor een achtste tocht, besloot men het schip te
verkopen. De Willem Barents is in juli 1886 te Amsterdam
geveild voor f 2650,-. Dat is minder dan 10% van de
bouwsom. De nieuwe eigenaar werd John Dowell, een visser
uit Lerwick op de Shetlandeilanden. Hij heeft er korte tijd
mee gevist en het daarna weer verkocht. In 1888 is de
Willem Barents als William Barnet na ernstig doorbrand te
zijn beschadigd, aan een Deen uit Skårupøre verkocht. Hij
herdoopte de schoener Kate Fisher. Het schip is na 1894
niet meer te traceren. De Vereniging 'Willem Barents' is in
1886 opgeheven en met de opbrengst van het schip is in
1887 de Vereniging 'IJszeevaartfonds' opgericht. Het doel
van deze vereniging was het ondersteunen en bevorderen
van Nederlandse wetenschappelijke expedities in de IJszee.
Het geld werd belegd en in de loop der jaren zijn kleine
bedragen beschikbaar gesteld aan enkele projecten. Hierbij
waren de uitgave van het wetenschappelijke rapport van de
Nederlandse noordpool expeditie van 1882-1883 en een
oceanografische expositie in Marseille. Pogingen een
Nederlands marineofficier op verenigingskosten te laten
deelnemen aan een buitenlandse poolexpeditie strandden
telkens. Niet alleen was er gebrek aan plaats maar ook was
het aantal marinemensen als expeditie lid ten opzichte van
wetenschapsmensen in de loop der jaren sterk afgenomen.
Omdat men geen zelfstandige toekomst meer zag voor het
fonds, is de Vereniging 'IJszeevaartfonds' in 1918
geliquideerd. Het kapitaal, inmiddels aangegroeid tot bijna f
18.000,- werd aan het Aardrijkskundig Genootschap geschonken. |
7
|
|
8
|
| De eigendommen van de vereniging, waaronder
de glasplaatnegatieven van Grand en de notulenboeken,
werden aan het Nederlandsch Historisch Scheepvaart
Museum (thans Rijksmuseum 'Nederlandsscheepvaart
Museum') in Amsterdam geschonken. Grant's foto's en de
schetsen van Apol, beide in openbare verzamelingen in
Nederland, en de illustraties door verschillende andere
opvarenden in particulier bezit, in totaal bijna 600
afbeeldingen, zijn een boeiende en waardevolle herinnering
aan het Nederlandse onderzoek van de IJszee in de 19e
eeuw.
De vierde tocht (1881)
onder bevel van L.t.Z.
1ste kl. H. Van Broekhuijzen
De vijfde tocht (1882)
onder bevel van L.t.Z.
1ste kl. C. Hoffman

|
|
Schoenerschip Willem Barents
a. gebouwd voor rekening van het Comité voor de
IJsvaart te
's-Gravenhage in 1878 te Amsterdam bij Meursing & Huygens,
afmetingen 25 x 6.0 x 2.8 meter, bruto tonnage 80 ton
b. besteld 19.11.1877; kiellegging 1.12.1877;
te
waterlating 6.4.1878.
Overdracht door werf aan Comité 25.4.1878; verhaald naar 's
Rijkswerf voor laatste voorbereidingen 28.4.1878; le reis vertrek
5.5.1878.
c. houten zeilschip met schoenertuig speciaal
gebouwd voor ijsvaart
met o.a. een verdubbelde huid van 30 cm. boven tot 150 cm. onder
waterlijn. De afmetingen van het schip waren gebaseerd op huisvesting
van 14 bemanningsleden en uitrusting voor een verblijf van zo nodig
18 maanden in poolstreken. Daaronder te rekenen 19 ton victualiën; 25
ton steenkolen voor de donkey ketel; 6 ton water en 8 ton inventaris
goederen. Vóór de tweede reis in 1879 werd de accommodatie door de
toen geheten werf Huygens en Van Gelder vrij ingrijpend verbouwd.
Onder andere kwamen op het poopdek een aparte hut voor de
commandant.
d. Gedurende zeven achtereenvolgende jaren werd
in de zomer een
pooltocht ondernomen. Vertrekdata van Amsterdam en dag van
aankomst te IJmuiden waren 5.5 - 12.10.'78; 3.6 - 22.10.1879; 3.6 -
30.9.1880 ; 7.5 - 26.10.1881; 9.5 - 19.10.1882; 5.5 - 5.10.1883; 31.5 -
17.9.1884.
e. Na laatste reis opgelegd waarschijnlijk bij
Marinewerf Amsterdam;
juli 1886 geveild tegen f.2.650,-; Nieuwe eigenaar John Dowell, zelfde
naam; na brand verkocht: 1888 'William Barnet', eigenaar William
James Adie, Lerwick; 9.5.1889 'Kate Fisher', eigenaar Hans Iversen,
Skårupøre (Denemarken). Na 1893 geen melding meer, waarschijnlijk
gesloopt.
Merkwaardigerwijs komt in Lloyd's Register van
1887 een 'Willem
Barendts' voor, gebouwd 1878 te Amsterdam, afmetingen 25 x 6.3 x
2.8 meter, netto tonnage 107 ton, eigenaar John Breyer, jun., Londen.
Waarschijnlijk toch hetzelfde schip, maar bewijs ontbreekt.
Gegevens: archief H. J. B. Maatschetsen: C. H. L. Olling
|
|
|
|
|
Artikel in de
Rotterdamsche Courant
(1939)
De redding van Leigh Smith
in de Poolstreek door
de bemanning van de Willem Barents onder bevel
van de Luitenant-ter-zee 1ste klasse C. Hoffman
tijdens de reis van 1882.
Wetenschappen
Dr. W. H. Neale:
een avontuur in de
Poolstreken.
De Engelsche
bladen hebben het overlijdensbericht van den geneesheer in ruste W. H.
Neale, die een kleine 60 jaar geleden betrokken geweest is bij een
interessant avontuur in het Noordpoolgebied, waarbij ook Nederlandsche
Pool-onderzoekers een rol van beteekenis hebben gespeeld. Neale was
n.l. een der deelnemers aan de reis van Leigh Smith, die in 1881
vertrok en bij Frans Jozef-land zijn schip, het jacht Eira, verloor. Na
bij Kaap Flora te hebben overwinterd, werd den volgenden zomer in open
booten de thuisreis aanvaard. Men slaagde erin de kust te bereiken van
Nova Zembla, die aan den Westkant werd gevolgd tot Matotsjkin-sjar, de
nauwe geul, die Noord-Zembla scheidt Van Zuid-Nova Zembla. Het toeval
wilde, dat zich daar op dat oogenblik het Hollandsche Poolscheepje de
Willem Barents bevond, onder commando van luitenant-ter-zee le klasse
C. Hoffman. De Hollandsche reizigers ontdekten de menschen en booten
van Leigh Smith en konden den schipbreukelingen een toevlucht aan boord
van de Willem Barents aanbieden. Niet ver daar vandaan lag een Engelsch
schip, de Hope, dat speciaal was uitgezonden om naar Leigh Smith en
zijn expeditie uit te kijken. Men doet zich wel herinneren, dat in die
jaren er van draadlooze berichtgeving geen sprake was en dat niemand in
Engeland of in Nederland wist, wat er met Leigh Smith en de
zijnen, die reeds in den nazomer van '81 hadden moeten terugkeeren,
geworden was. Hadden de Nederlandsche zeelieden en geleerden aan boord
van de Willem Barents de seinschoten van Smith niet opgemerkt, dan zou
in deze wateren, waar het bijna altijd mistig is en het uitzicht
buitengewoon onzeker valt te noemen, het kleine flottielje open booten
wellicht niet zijn opgemerkt en hadden Leigh Smith, Neale en de anderen
allicht den dood gevonden, ja men zou misschien nooit precies het lot
van de expeditie hebben kunnen reconstrueren.
Het is een
eigenaardigheid, waarop wij in
vroeger jaren weleens meer hebben gewezen, dat men in Engeland de eer
van de redding
van Leigh Smith c.s. toekent aan de Schepelingen van de Hope, en
vergeet, dat het Hollanders
zijn geweest, die Leigh Smith en de andere schipbreukelingen uit het
perikel
hebben gehaald. Deze verkeerde lezing vinden wij ook in het
doodsbericht van Neale
|
|
in een der
Engelsche bladen, hoewel het doodsbericht nog wel afkomstig is van den
grooten kenner der Poollitteratuur dr. H. R. Mill. Wij moeten erbij
voegen, dat in den tijd, waarin zich dit merkwaardige avontuur
afspeelde, in
Engeland zelf deze misvatting nog niet was geboren. Van Britsche zijde
is n.l. toentertijd op allerhartelijkste en hoogst waardeerende wijze
ons
hoofdaandeel in de redding van Leigh Smith en de zijnen erkend. De
Willem Barents had in het Noorden een wetenschappelijke taak af te
werken en bleef dus voortgaan met haar werk; de Hope bracht de
schipbreukelingen thuis. In het
officiële verslag over de reis van de Willem Barents in 1882 vinden wij
omtrent de redding van de bemanning der Eira o.m. het volgende vermeld
door luit. t. zee 1ste klasse Hoffman zelf.
"Nauwelijks waren wii
Kaap Matotsjka omgezeild (3 augustus 1882), of wij hoorden vele
geweerschoten. Eerst meenden wij, dat de Russen aan den wal het geluk
hadden gehad een kudde rendieren te ontmoeten en onder hen een
slachting aanrichtten. De schoten bleven echter vallen, het was een
geregeld snelvuur en de kijkers werden dus op den wal gericht. In de
Westelijkste bocht van de Zuidkust der straat, besloten tusschen
Zuilenkamp en Kaap Matotsjka, zagen wij verschillende menschen en
eenige booten op het strand. In de verschillende reisbeschrijvingen heb
ik tevergeefs naar een naam gezocht voor dien kleinen inham en ik zoude
het Eira-baai willen noemen. Dadelijk gingen wij over den anderen boeg
en stuurden naar de bocht en ankerden. Zoo spoedig wij begonnen te
manoeuvreeren hield het schieten op, wel een bewijs, dat men onze
opmerkzaamheid had zoeken te trekken. Een boot stak van wal en roeide
naar ons toe. Allerlei gissingen werden aan boord gemaakt waaronder
die, dat het de bemanning van de Eira zijn zoude. Meer waarschijnlijk
echter was het de een of andere verongelukte. visser. Toen de boot
naderde zagen wij er negen menschen inzitten; allen zoo zwart als
schoorsteenvegers. Iedereen aan boord stond met belangstelling te
kijken. Eindelijk zag ik voorop het woord Eira en dadelijk riepen wij
uit volle borst een hartelijk gemeend hoera, hetwelk flink uit de boot
beantwoord werd. Met tranen in de oogen kwamen sommigen aan boord over.
Van den eenen kant hoorde men uitroepen van verwelkoming, aan den
anderen ,,God zij gedankt", Daar de Hope nog in 't zicht was, liet ik
dadelijk de vlaggen in top hijschen. Tot de negen man, die aan boord
gekomen waren, behoorden kapitein Lofley en dr. Neale; Kapitrin Lofley
was de sailing-master van de Eira. Beiden waren ook aan boord, toen dat
schip in 1880 Frans Jozefland bezocht. Allen waren opgetogen van
blijdschap, toen zij hoorden, dat in de verte de Hope lag, klaar om hen
op te nemen en naar Engeland te brengen. Zoodra de eerste begroetingen
voorbij waren, liet ik het aan Dalen over om voor hen te zorgen, deed
een boot uitzetten en zeilde daarmede de baai in naar het strand, waar
de overigen stonden. Naderbij komende gaven de roeiers weder een flink
hoera, vijftien man stonden nog op het strand. Ik heette den heer Leigh
Smith, gekleed in een zwarte gekleede jas met lorgnet op, van harte
welkom en deelde hem mede, dat verderop, de straat in, de Hope ten
anker lag, die slechts door Kaap Matotsjka aan hun oog was onttrokken.
Ik vroeg hem, wat hij wenschte, of met de bemanning naar de W. Barents
te gaan, of dat ik hem direct met mijn boot naar de Hope zoude brengen.
Dit laatste werd verkozen. Leigh Smith en ik
stapten nu in de boot en matrozen roeiden zoo hard ze
konden rond Kaap Matotsjka naar de Hope"
|
|
|
|